Er waren veel stedelingen in de middeleeuwen die niet konden of niet wilden werken. Dagloners moeten vooral in de winter vaak moeilijke periodes gekend hebben, wanneer vrijwel alle handel en bouwactiviteiten stil lagen vanwege de vorst. Ouden van dagen die niet door hun familie konden worden onderhouden, hadden het al evenmin gemakkelijk. Maar de arme inwoners van de stad werden niet aan hun lot overgelaten. Wel maakte men daarbij onderscheid tussen 'rechte armen' en luie oplichters. De erkende arme was iemand die door ziekte of ouderdom niet meer kon werken en tot de bedeling verviel. Hij kon van de stad een officiële bedelvergunning krijgen en had recht op een periodieke toedeling, bijvoorbeeld brood en soms vlees. Niet door de overheid erkende bedelaars werden geweerd. Zorg voor de leden van de eigen gemeenschap sprak vanzelf; van vreemden die in de stad kwamen klaplopen was men niet gediend. De zogenaamde thuiszittende armen, lieden die weliswaar hulp behoefden maar nog niet tot de bedelstaf waren vervallen, ontvingen een uitkering in natura.

In de vijftiende eeuw gingen rijke burgers er bovendien toe over om gasthuisjes te stichten waar bejaarden en invaliden konden wonen. Vaak waren dergelijke inrichtingen voor een bepaalde groep behoeftigen bestemd. Zo was Sint Jurgen in Brunnepe, bij Kampen, in de eerste plaats bedoeld voor de verarmde familieleden van de stichter. In de tweede plaats kwamen de arme schippers en pas daarna de andere dorpelingen. Deze nieuwe gasthuizen waren geheel andere instellingen dan de rumoerige passantenhuizen die net als de tegenwoordige 'sleep ins' één of twee nachten logies gaven aan willekeurige reizigers. 

Het reglement van het Deventer passantenhuis, de baaierd, vertelt ons meer over de omstandigheden in deze primitieve gratis hotels. De Deventer baaierd kon tot zeventig gasten herbergen, mannen en vrouwen sliepen apart. Wel konden meerdere gasten in één bed terecht, een praktische manier om elkaar warm te houden. Het grote vuur in het midden van de zaal was het punt waar de meeste bezoekers zich op koude dagen verdrongen. Er was dan ook vastgelegd dat de toezichthouder er speciaal op moest letten dat ouden van dagen en simpelen van geest niet werden weggeduwd.
Het moest er ordentelijk toegaan in deze baaierd. Wie een vrouw lastig viel, kon 'rokesole' verdwijnen. Schelden was verboden, ook voor de Vlamingen en de Hanzekooplieden. 

Met name aan handelaren en marskramers, zwervers en ander rondtrekkend volk boden de passantenhuizen tijdelijk onderdak. Het was met het oog op de laatste categorieën dat de verzorgsters door de regenten werden gewaarschuwd dat ze voor zweren en gezwellen niet bang moesten zijn. Die waren nu eenmaal een kenmerk van armen die een gasthuis bezochten. Dat de naam 'gasthuis' tegenwoordig meestal nog voortleeft in eigennamen van ziekenhuizen, is geen toeval. Naast de baaierd werd al snel een aparte ziekenzaal ingericht. Daar werden dan de zieken verpleegd, genezen konden ze er nauwelijks. Wie door ziekte werd bezocht, herstelde, stierf of bleef levenslang invalide. De medische wetenschap van die dagen kon daar weinig aan veranderen. In de ziekenhuizen legde men wijselijk het accent op de geestelijke verzorging van de patiënten.
Dat het in de gasthuizen niet slecht toeven was, bleek wel heel duidelijk toen in de late middeleeuwen welgestelde burgers zich tegen gepaste betaling lieten opnemen in een klein huisje naast de baaierd. In de loop van de tijd werden deze aanleunwoningen de hoofdzaak en de 'open ziekenafdelingen' werden gesloten.