Anthony baron Sloet van Oldruitenborgh, Toutenburg, Benthuis en Nijerwal werd geboren in Vollenhove op 4 mei 1769 en overleed in 's-Gravenhage op 10 maart 1853. Rechts een jeugdportret, geschilderd door Thim. Zijn adellijke afkomst bestemde hem voor hogere functies. Daaraan veranderden de woelingen van de Bataafse tijd, de Franse overheersing en de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden niets. Vader Arent Sloet (1722-1786) van Tweenijenhuizen, Oldruitenborgh en Hagensdorp hoorde als bezitter van deze hele reeks Vollenhoofse havezaten tot de oude adel en moeder Johanna Phillippina (1741-1815) barones van Dedem tot de Gelder deed daar niet voor onder. Zelf trad Anthony op 8 juli 1790, net 21 jaar oud, in het huwelijk met de 16-jarige Isabella Antoinette barones Le Vaillant (Zwolle, 1773-1848), dochter van militair Johan Willem le Vaillant (1736-1786), sinds 1779 'heer van de Grimberg', een havezate bij Nijverdal. Na zijn huwelijk ging Arend’s tweede zoon Anthony op Oldruitenborgh wonen. De oudste zoon Coenraad Willem (1767-1849) erfde het familiehuis Tweenijenhuizen, een jongere broer erfde Hagensdorp.

Onder invloed van zijn stiefvader Willem de Lille (1750-1810), in 1789 getrouwd met zijn moeder, werd Anthony patriot. Hij behoorde in 1795 tot de Provisionele Representanten van het volk van Vollenhove, zat in het stadsbestuur en was provinciaal afgevaardigde. Het is niet onwaarschijnlijk dat hij aan deze omstandigheden zijn benoeming in 1797 tot ontvanger-generaal van de Generaliteitsloterij als 'burger' Sloet te danken had. Vanaf die tijd woonde het echtpaar een deel van het jaar in Den Haag, aan de Lange Voorhout nummer zestien, waar zij in de hoogste kringen verkeerden.

Hij verdiende kennelijk zeer goed. Aan het begin van de negentiende eeuw werd bij het Landgoed Oldruitenborgh een park in landschapsstijl aangelegd. Via hun contacten in Den Haag zal Anthony zeker op de hoogte zijn geweest van de laatste mode in de tuinaanleg en mogelijk contact hebben gehad met de (tuin)architecten die op dat moment voor het hof werkzaam waren. Maar er zijn geen ontwerpen of namen overgeleverd. Heel bewust behield Anthony een deel van Toutenburg als ruïne, zoals Evert Maaskamp in zijn Voyage dans l’interieur de la Hollande uit 1807 schreef “à l’ embellisement de sa campagne”.  Begin negentiende eeuw kwamen in tuinen en parken veel namaak bouwvallen en follies voor, een historische ruïne vormde in deze mode ook toen al een unicum. De familie Sloet had kelders van de Toutenburg in gebruik als ijskelder.

Anthony zette het aankoopbeleid van zijn vader voort. In 1800 kocht hij de naastgelegen havezate Nijerwal, die al een tijd in onbruik was (zie Havezaten in Vollenhove te huur en te koop) door de verhuizing van De Vos van Steenwijk naar de Oldenhof. De koop omvatte het huis met hof en bouwhuizen. De gebouwen werden kort na 1846 afgebroken, op het nu nog bestaande bouwhuis uit 1739 na. Het Benthuis kwam in 1811 in zijn bezit. De tuin voegde hij samen met die van Oldruitenborgh en het huis werd dienstwoning. Het Benthuis zelf werd rond 1840 afgebroken; op dezelfde locatie werd vanaf 1857 een nieuw huis gebouwd. Deze aankopen completeerden het landgoed Oldruitenborgh, dat aan de kant van de Bentstraat en Groenestraat volledig was ommuurd, de open plekken van de afbraak van o.a. de Wheeme werden opgevuld. Op 28 maart 1803 verklaarde de burgemeester van Vollenhove dat ‘ieder zich zal hebben te wachten om op de Rutenburg zich te begeven bij een boete van een goudgulden ten voordele van de armen’.

Onder het Franse bewind ontpopte Sloet zich als een bekend figuur in de Haagse Society. In 1802 was hij één van de zes oprichters van de (Koninklijke) Schouwburg. En onder Koning Lodewijk Napoleon bekleedde hij vele functies. Zijn grote carrièresprong maakte hij in 1807. In dat jaar aanvaardde hij de zeer goed betalende (f 30.000 per jaar!) functie van Ontvanger-Generaal van de Koninklijke Loterij te 's-Gravenhage. Daarnaast werd hij benoemd als eerste prefect van het paleis des Konings en werd zijn status in zijn erfgoederen verhoogd door het ambt van luitenant-jagermeester in het drostambt Vollenhove. Het jaar daarop werd hij bovendien jachtofficier des Konings in het departement Overijssel (1808).

Hij kreeg op Oldruitenborgh bezoek van de koning in 1809, een voor Vollenhove belangrijke gebeurtenis.

Toen Napoleon het besluit nam het Koninkrijk Holland bij Frankrijk in te lijven, veranderde de Koninklijke loterij in een Keizerlijke loterij. Maar Sloet bleef, vanaf 1812, de Ontvanger-Generaal. In 1813 verhief Napoleon zijn Overijsselse dienaar tot 'baron de l'Empire'. In die hoedanigheid werd Sloet datzelfde jaar dijkgraaf van het Waterschap Vollenhove, welke functie hij ook na de val van Napoleon tot 1820 bleef bekleden.

Zoon Arent, geboren 29 mei 1791, tweede luitenant bij de lijfgarde huzaren van de  raadpensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck (opgericht bij Staatsbesluit van 28 juni 1805) raakte vermist bij de overtocht van de Berezina op 28 november 1812, tijdens de terugtocht van Napoleon’s leger uit Rusland (in het Franse register, inv.nr. SHD 2Yb 1132, f. 61 van Service Historique de la Défense, Vincennes/Parijs heet hij Adrien).

Sloet schakelde snel over van de verliezer Napoleon naar de winnaar Willem I die op 30 november 1813 op het strand van Scheveningen voet aan Nederlandse wal zette. Anthony Sloet bevond zich – als wonende in Den Haag! - onder de 43 notabelen uit het departement der Monden van den IJsel, op 1 maart 1814 opgeroepen ter beoordeling van het ontwerp van de nieuwe grondwet, waarover door op 29 maart te Amsterdam door 474 afgevaardigden werd gestemd. Hij werd op 28 augustus van dat jaar door koning Willem I erkend als jonkheer en daarmee lid van de Ridderschap van Overijssel. In datzelfde jaar werd hij  kamerheer van Koning Willem I, een ceremoniële functie. Hij ontving de adellijke titel van baron op 29 augustus 1819. Bij Koninklijke besluiten van 1822 tot 1825 werden zijn oude titels van adeldom erkend, met recht van overgang op al zijn nakomelingen. Zijn zoon Anton Henri baron Sloet van Oldruitenborgh (1798-1871) startte een militaire carrière, vocht in 1815 bij Waterloo en werd uiteindelijk adjudant van prins Alexander, de zoon van Willem II. 

In 1818 kreeg Anthony in Vollenhove bezoek van koning Willem I en prins Frederik, broer van de latere Willem II. Zij werden door hun gastheer op Oldruitenborgh onthaald op een 'zeer gedistingeerd' diner. En in 1820 deed kroonprins Willem Frederik Vollenhove aan, waarbij hij een nacht logeerde op Oldruitenborgh. Hij werd ook kamerheer van deze latere koning Willem II.

Ondanks al zijn activiteiten zette Anthony Sloet van Oldruitenborgh zijn werk bij de loterij voort. De revenuen uit het ontvangerschap stelden de baron in staat het aanzienlijke huis aan de Lange Voorhout nr. 16 te bewonen. Er was in die tijd aan de linkerzijde een toegangsdeur ten behoeve van het Loterijkantoor, bewaakt door een schildwacht, want er ging veel geld om. Er waren rond 1840 zes inwonende personeelsleden (drie vrouwelijke en drie mannelijke, waaronder een kamerdienaar).

In 1849 werd Anthony Sloet op 80-jarige leeftijd gepensioneerd. Bij Koninklijk Besluit van 18 februari van dat jaar werd hem een jaargeld van f 4 000 verleend. In feite was zijn functie al een jaar eerder opgeheven, in het 'revolutiejaar' 1848 toen door allerlei zaken de koning werd gedwongen een liberale grondwet aan te nemen waarbij er een parlementaire democratie werd ingesteld en allerlei Nederlandse staatsinstellingen werden gereorganiseerd. De Directeur werd een departementaal ambtenaar en viel onder de verantwoordelijkheid van de minister van Financiën. In het algemeen verdween de bijzondere rol van de adel totaal.

In de rijke geschiedenis die de stichting van de Generaliteitsloterij in 1726 met de huidige Staatsloterij verbindt, hoort de Ontvanger-Generaal Anthony baron Sloet van Oldruitenborgh, Toutenburg Benthuijs en Nijerwal tot de meest markante figuren. In het Nederlands Kansspelmuseum is nog een kasboek te zien met aan de bovenkant zijn naam.

In 1850 werd hij coadjutor-commandeur van de Balije van Utrecht van de Ridderlijke Duitse Orde – evenals zijn vader. Hij was verder commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Zijn tweede zoon Jan Willem (1792-1863) was gepromoveerd in de rechten (1816), kocht in 1824 havezate Lindenhorst en woonde er met zijn vrouw tot zijn overlijden. Hij werd in 1837 inspecteur der registratie (verificateur) en was vanaf 1840 dijkgraaf van het Waterschap Vollenhove (1363-1996). In 1861 werd hij lid van de Ridderschap van Overijssel. 

Ondanks het feit dat zijn oude vader in Den Haag bleef wonen, vestigde jongste zoon Anton Henri baron Sloet van Oldruitenborgh (1798-1871) zich eind 1849 op het huis Oldruitenborgh te Vollenhove. Het jaar daarop huwde hij zijn familielid Maria Mechteld Florentina Sloet van Tweenijenhuizen. Uit dit huwelijk sproot een zoon (Antony  (1851-1935)). Sloet ging het leven van een landjonker leiden en na het overlijden van zijn vader in 1853 bekommerde hij zich om het beheer van zijn erfdeel (Oldruitenborgh) met bijbehorende landerijen.