Na de hervorming: de schuilkerk

In 1580 of 1581 kwam de Grote- of Nicolaaskerk van Vollenhove in handen van de Hervormden.

Het kleine aantal katholiek gebleven inwoners werd in de 17e eeuw bezocht door seculiere priesters uit Zwolle. Aanvankelijk bekommerde Volqueris (Folkert) Herckinga, pastoor in Zwolle sedert 1618, zich om Vollenhove. Vanaf 1629, wanneer er een missiepost (Hollandse Missei, de beweging van de contrareformatie) van de paters jezuïten (Sociëteit van Jezus) in Wijhe is opgericht, reist men te voet naar allerlei omringende plaatsen. Zo ook Vollenhove, waar ene Carolus Isenbart onder het pseudoniem Andreas Kelderman aan het werk gaat. De Statie Vollenhove werd door hem opgericht in 1637 ten huize van jonker Hagen en diens vrouw op havezate (Old)Hagensdorp
In 1632 komt de Zwolse pastoor Arnoldus Waeijer (1606-1692) naar Vollenhove op uitnodiging van jonker Hagen, die hij in Kampen ontmoette. 
Hij geeft hiervan een boeiend verslag in zijn boek "Nopende het Aertspriesterschap van Swolle naer de beroerten deser Nederlanden, mitsgaders van eenige gedenckweerdige voorvallen", waaruit blijkt, dat de verhouding tussen hem en de Jezuïeten nogal te wensen overliet. De competentie tussen hen, men zou haast spreken van concurrentie, vormde doorlopend een bron van onenigheid en wrijving. 
Zo werd hij op aangeven van Kelderman weggestuurd bij Hagen.  Deze Kelderman had vast onderdak bij mevrouw Van Westerholt op het huis "Herxen" bij Deventer. Kelderman eiste het alleenrecht op voor de bediening van Vollenhove. Ondanks Keldermans pogingen het werk voor Waeijer onmogelijk te maken slaagde deze erin zich te handhaven dankzij de Vollenhoofse families Rentinck en Bannier, bij wie hij beurtelings eens in de zes weken te gast was (zie ook de beschrijving van het portret van Egbertus Rentinck). 
In 1652 werden de Katholieken tijdens hun godsdienstoefening ten huize van Nicolaas Rentinck overvallen door de burgemeesters, aangespoord door medeburgemeester Timen Coops (nota bene: Hendrik Lamberts Bannier was zijn oom!); en hoewel Waeijer ontkwam werd Rentinck toch met f 300 beboet. Coops had nog een appeltje met Rentinck te schillen: die had als advocaat van de tegenpartij opgetreden in de zaak rond het onwettig bezwangeren van Coops' huismeid...

Bezetting door Münster: opnieuw een eigen pastoor

De problemen met de paters Jezuïeten bleven tot 1672 voortbestaan.
Bij de komst in dat jaar van de troepen van Bernard van Galen, de bisschop van Munster, kregen ook de Vollenhoofse katholieken, weliswaar voor korte tijd (1672-1674), de vrijheid hun godsdienst in het openbaar te belijden. Na veertig jaar gaven de paters Jezuïeten de strijd op Vollenhove alleen te bedienen en trokken zich geheel uit deze plaats terug. Arnoldus Waeijer profiteerde meteen van de gelegenheid door in Vollenhove een statie “van de Clergie” (van wereldlijke geestelijken) op te richten. In 1674 werd Hermanus Sevenstern tot pastoor van Vollenhove aangesteld.
Dat de bewoners van Oldhagensdorp door de rooms-katholieke overheid officieel als beschermers van de Vollenhoofse parochie erkenning vonden, blijkt uit het feit, dat zij gekend werden in kwesties als beschuldiging van jansenisme, die Sevenstern trof, en in benoemingen van pastoors.
Sevenstern ondervond tijdens zijn pastoraat grote tegenwerking van de plaatselijke overheid. Zo werd hij in 1689 beboet omdat hij een zieke in het gasthuis had bezocht, en hem de laatste sacramenten had toegediend. De boete bedroeg 100 zilveren dukaten, oftewel 315 caroli guldens. De boete werd betaalt door Adriaen Krul, vermoedelijk dus parochiaan, aan stadssecretaris Joan Coops s.v.T op 8 juli van dat jaar, 'ter ordonnantie van Schepenen en Raad'. Met het betalen van die boete, waarvan de kwitantie in het stadsmuseum Stadsmuseum te zien is, werd tevens alle andere mogelijke misstappen van alle Vollenhoofse katholieken tot dat moment afgekocht...

Adriaen Krul (geboren in 1643) is ook afkomstig uit de eerder genoemde familie Bannier, zoon van de Amsterdamse dichter en sinds het voltooien van zijn studie woonachtig op het adres Kerkstraat 14, het pand met (sinds 1732) de klokgevels. Joan Coops is de zoon van de eerder genoemde Timen Coops (s.v.T : soon van Timen), zijn tante was Hendrikje Hendricksdochter Bannier....

Familie Hagen (Oldhagensdorp) als beschermers

Gedurende ongeveer 125 jaar kwamen de katholieken van Vollenhove
samen in "Oldhagensdorp" of zoals Van der Aa het uitdrukt "in het bovenvertrek van een bijzonder huis”. Het nieuwe reglement van 1622 op de admissie (toelating) als riddermatige tot de statenvergaderingen bepaalde dat de ten landdage geadmitteerden de gereformeerde religie moesten belijden. Daar de Hagens, bewoners van de havezate Hagensdorp, rooms-katholiek gebleven waren, voldeden zij niet aan die eis van het nieuwe reglement. Met een aantal andere rooms-katholieken verlieten de gebroeders Seino, Pelgrim en Hendrik Hagen in 1622 voorgoed de vergadering van de Overijsselse staten.
Sedertdien "sluimerde" het recht van verschrijving van deze havezate, totdat dit recht in 1667 door de toenmalige bewoner van Hagensdorp Egbert van Uterwijck, werd verkocht aan Johan Sloet van Tweenijenhuizen, die dit recht met toestemming van Ridderschap en Steden van Overijssel verlegde naar zijn eigen huis te Vollenhove. Het huis van Egbert van Uterwijck noemde men van toen af Oldhagensdorp.

Dat de opeenvolgende bewoners van het huis rooms-katholiek waren gebleven veroorzaakte enerzijds dat het huis zijn karakter van havezate verloor door de verlegging van dat recht in 1667, anderzijds kreeg het er een nieuw aspect bij, doordat het huis het centrum van het ondergronds rooms-katholieke leven in Vollenhove werd.
De bewoners stelden namelijk hun huis ter beschikking voor het houden van godsdienstige bijeenkomsten, terwijl in de 17e eeuw ook de rooms-katholieke geestelijken er periodiek onderdak vonden. In het huis Oldhagensdorp verleende mevrouw van Uterwijck, in 1673 weduwe geworden, de pastoor Hermannus Sevenstern (1674 – 1726) verblijf. 
Na de dood van zijn moeder Lucia Kockman wordt in 1698 haar zoon Jacob van Uterwijck beleend met Oldhagensdorp en de daaronder ressorterende goederen en in 1710 diens weduwe Allegonda Grammaye. Samen met haar schoonzuster Maria Lucia van Uterwijck, de weduwe van de kolonel Herman Reinholt von Dellwig, en haar dochter Ave van Uterwijck, sedert 1728 weduwe van Gijsbert van Dorth, woonden zij op Oldhagensdorp. Deze dames, alle drie vroeg weduwe geworden, zochten vertroosting in de godsdienst en bedachten pastoor en parochie van Vollenhove met vele giften.
Het archief van Oldhagensdorp bevat een aantal stukken, die op deze periode slaan.

Families Rentinck en Bannier

In 1726 (of 1708?) schonk Suzanna Rentink, dochter van Nicolaas Rentinck, haar huis aan de Kerkplaats (no. 6) om als pastorie dienst te doen. Een portret van Egbert Rentinck uit 1659, haar broer, is in het bezit van de parochie (uitgeleend aan het Cultuurhistorisch Centrum). De familie Rentinck, waarvan Egbert Rentinck (grootvader van Suzanna en haar broer Egbert) tot 1624 stadsecretaris was, was een belangrijke steunpilaar van de parochie. Er waren innige banden met de familie Bannier, de buren.
Het huis van de familie Rentinck werd als pastorie ingericht. De zolder van dit huis aan het Kerkplein werd tot bedehuis verbouwd en was bestemd voor missen op werkdagen. Mogelijk dateert de collectie oude schilderijen, die op de zolder van de volgende pastorie op de hoek H.Geeststeeg-Kerkstraat (afgebroken) werden teruggevonden, uit deze periode als aankleding van de schuilkerk. Op zon- en feestdagen bleef de huiskapel van Oldhagensdorp in gebruik.

In de resultaten van de volkstelling in 1748 vond ik wonende in ‘de Kerkstraate’ de priester Willem Entink (of Entingh), met als huishoudster Maria Spiegel. Deze priester was de derde pastoor die na de hervorming in functie was, van 1728 – 1751. Volgens de trouwboeken van de RK Parochie trad deze Maria Spiegel veelvuldig (22x) op als getuige bij huwelijken, voor het eerst in 1726 en voor het laatst in 1778! Haar voorgangsters waren waarschijnlijk Maechtelt Kockmans (van 1686 tot 1706) en Aeltien Dercks (van 1706 tot 1718). 

Waar precies de H. Mis werd opgedragen wordt pas in 1778 vermeld: 's winters op een afgeschoten zolder van het woonhuis van de Heer van Middachten (voordien het adellijk huis en havezate Hagensdorp), en 's zomers in een schuur in de tuin van genoemde heer.

zie voor het vervolg: de RK Parochie van 1795 tot heden

en hier voor het eerste deel tot de hervorming.