Zoals bekend is, is het tot in het begin van de negentiende eeuw gewoonte geweest, dat de aanzienlijken hun doden in de kerk konden begraven (de gewone man was aangewezen op de kerkhoven). Mede vanwege de onhygiënische toestanden werd aan deze gewoonte een eind gemaakt. In oude kerken zien wij vaak prachtig versierde zerken, al zijn de wapens er veelal in 1796 uitgehakt, omdat deze tekens van rang en stand niet pasten bij het beginsel van de Franse revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederschap. 

De plaats van de zerken is meestal niet dezelfde als de oorspronkelijke. De graven zijn bij restauraties geruimd en de grafstenen hebben - voor zover ze inpasbaar in de nieuwe vloer waren - een andere plek gekregen. Soms is de oorspronkelijke plaats nog te achterhalen. Dat is het geval bij de zerk van Johan Nicolai Rentinck in de Grote Kerk in Vollenhove. 
Het daarbij behorende verhaal is te belangwekkend om aan de vergetelheid prijs te geven.

De hoofdpersoon van het verhaal is niet Johan Nicolai Rentinck, maar een verwante in de zijlijn, Susanna Rentinck; hij is evenwel de aanleiding voor alle verwikkelingen rond zijn grafstede. Johan Claesz Rentinck, zoals hij ook wordt genoemd, was commissarius in Overijsel. We treffen hem in de archieven voor het eerst aan op 1 juli 1581 in Zwolle. In deze stad trouwt hij in januari 1583 als weduwnaar met Gerritjen Wolters, weduwe van Georg Thennaet. In 1583 wordt hij burger van Zwolle genoemd. Hij en zijn vrouw blijken in 1586 goederen in en onder Zwolle te hebben. In april 1593 trouwt hij daar, voor de derde keer, met Margaretha Hoppers. Veertien jaar later is hij gestorven en in de Grote Kerk van Vollenhove bijgezet. Op zijn grafsteen, die nog steeds aanwezig is, staat: Op 13 Augusti 1607 starf Johan Rentinck Clasen, gewesene commissarius in Overijssel.

Uit de stukken van een proces uit 1611, gevoerd door de erfgenamen van zijn derde vrouw, weten we, dat hij een broer had, die ook Johan Claes Rentinck heette. Het kwam in het verleden wel meer voor, dat er in één gezin twee kinderen dezelfde voornaam droegen. De een werd (soms!) dan 'de oude' genoemd en de andere 'de jonge'. De Johan Claessen Rentinck die in februari 1591 tot schepen en in augustus van dat jaar tot burgemeester van Vollenhove werd gekozen, zal dan ook wel 'de jonge' zijn geweest. Waarom de commissarius in Vollenhove begraven is en niet in Zwolle, is niet bekend. Mogelijk sleet hij zijn laatste levensjaren bij zijn familie, waarvan de leden eveneens belangrijke bestuursfuncties bekleedden.

Het gaat hier inderdaad om een geslacht van aanzien. Daarvoor zijn diverse aanwijzingen. Zo bevindt zich in het Rijksarchief in Overijssel de Collectie-Koets, waarvan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden gesteld dat de meeste stukken afkomstig zijn uit het nu niet meer bestaande 17e-eeuws familiearchief-Rentinck. Een ander punt is, dat mannelijke verwanten een huwelijksverbintenis hebben aangegaan met telgen uit adellijke geslachten: Grevinge, Van Ensse. Van andere mannelijke Rentincks kunnen we dit vermoeden: hun vrouwen dragen mannennamen, een gewoonte die in de veertiende en vijftiende eeuw in de hogere kringen opkwam. Zo was Johan Claessen Rentinck 'de jonge' getrouwd met ene Herman. Dat gebruik werd in zoverre door lagere standen nagevolgd, dat men voor vrouwen de verkleiningsvorm ging gebruiken. 
Er zijn aanwijzingen, dat er zich bij de Rooms-katholieke parochie in Vollenhove een paneel bevond, waarop een Rentinck staat afgebeeld. Dat zou bovengenoemde Susanna kunnen zijn, dan wel haar vader. Van Susanna is bekend, dat zij in het inmiddels naar de nieuwe leer overgegane Vollenhove zeer prominent katholiek was en ook financieel de oude leer bijzonder was toegedaan. Het is echter helaas niet gelukt, het paneel, dat inmiddels uit twee stukken zou bestaan, te achterhalen. 

Zoals bekend, mochten na invoering van de Hervorming overheidsfuncties alleen door aanhangers van de nieuwe leer bekleed worden. In het oosten van het land werd met deze regel creatief omgesprongen, zodat in voorkomende gevallen een bepaalde persoon in functie kon blijven. Zo was dat het geval bij de grootvader van Susanna Rentinck, Egbertus Rentinck, die secretaris van Vollenhove was en bleef. Een nieuwe functionaris moest de Hervorming zijn toegedaan. Het vasthouden aan het oude geloof is er de oorzaak van geweest, dat de overheidsfuncties voor de Rentincks taboe werden. Toen later een Vollenhoofse tak van de familie tot de Hervorming overging, was het aanzien van dit geslacht al dermate getaand, dat de overgang wel met overtuiging en niet met hoop op gewin te maken gehad moet hebben: dat laatste zat er niet meer in.

Terug evenwel naar het graf. Naar het graf, nl. dat van Johan Claes Rentinck. Zoals op bijgaande tekening die door een familielid, Egbertus Goltbeeck, is gemaakt, te zien is, zijn er drie Rentinckgraven geweest. Links boven heeft hij geschreven: Specificatie van de 3 onder ons mandelige (= gemeenschappelijke) graven in de karck van St.Nicolaus tot Vollenho. Het eerste graf (nr.7) ligt tegen de muur, nog net in het schip van de kerk, tegen de treden van het koor aan; opschrift Rentinck: Het tweede graf, (nr. 6), ligt in het verlengde van het eerste, maar op het koor. Daarop staat Egbertus Rentinck, secretaris der Stadt Vollenho. Naast dit tweede graf ligt de blauwe zerk die nu nog aanwezig is, die van Johan Rentinck Clasen, de commissarius van Overijssel. Het betreft hier één grote zerk; de andere graven werden gedekt door 6 resp. 5 kleinere stenen (zie de stippellijnen op de tekening).

Kennelijk werd het graf van Johan Claes Rentinck als het belangrijkste beschouwd, want tot tweemaal toe zijn er met betrekking tot dit graf problemen gerezen. Omstreeks 1677 had Engbert Struive, een achterneef van Susanna Rentinck, zijn vrouw en zijn dochter er in laten begraven. Hij had echter voordien zijn deel van de kosten voor de steen (die dus kennelijk tientallen jaren na de teraardebestelling van de commissiarius geplaatst was) niet willen betalen en heeft toen volgens Susanna vrijwillig van zijn rechten afstand gedaan. Ook zou de moeder van Engbert Struive, Trijne Rentinck, gezegd hebben, dat zij geen rechten meer op het graf deed gelden. Mogelijk was Engbert Struive zowel het een als het ander 'vergeten', want vrouw en dochter werden in het graf ter aarde besteld. Hoe dit verder is afgelopen, is nu niet meer na te gaan.

Het bovenstaande diende als randvermelding , bij het proces dat Susanna in 1696/7, een paar jaar voor haar eigen dood (in 1701), aanspande tegen een achterkleinzoon van haar oudoom Geert Rentinck (dus nog verder weg), Hermen Jans Bourtien. Diens vader, Jan Hendriks Bourtien, was op 8 of 9 mei 1693 overleden en zijn nabestaanden hadden besloten dat hij zou worden begraven in het Rentinckgraf. Er was echter een probleem. Assuera Rentinck, de zuster van Susanna, was daar in oktober 1692 bijgezet. Volgens Susanna hadden de nabestaanden van Bourtien het graf laten openen, "haer vurnoemde versturvene suster daer uit doen smijten" en Jan Hendriks Bourtien daarin laten begraven. Zij eiste nu verwijdering van dit lijk, herbegrafenis van haar zuster, alsmede een betaling "ten profijte van de armen dezer stede, wegens geleeden affrond en smart, een somma van 100 daalders". De beklaagde verweerde zich: hij wees op de familieverhouding met Johan Claes Rentinck en op het feit dat de grafstede tot heden onder zijn erfgenamen ongedeeld was gebleven en waarin voorouders van beide partijen ter aarde besteld waren. In mei 1693 kon Jan Hendriks Bourtien niet begraven worden, omdat Assuera Rentinck er nog in lag. De doodgraver heeft haar toen 1 1/2 voet terzijde "verzet", in een graf dat alleen toebehoorde aan de erven Rentinck. Assuera was dus niet uit het graf gesmeten. 
De klacht van Susanna Rentinck werd niet-ontvankelijk verklaard. Hoewel de familie Bourtien weinig fris had gehandeld, was de voorstelling van de gang van zaken door Susanna Rentinck te veel gekleurd. Het bovenstaande is - met de tekening - te vinden in. het Rijksarchief in Overijssel (Stadsgericht Vollenhove, procesdossiers nr. 325).

In het archief van de Stad Vollenhove bevindt zich een Staat van graven in de Grote of St. Nicolaaskerk, anno 1791. Aan de zuidzijde van de muur na de pilaren waren de graven nr 6 en nr 7 nog eigendom van de erfgenamen van juffrouw Rentinck (waarmee Susanna bedoeld is). Over het graf van Johan Nicolai Rentinck, waarover zoveel te doen is geweest, wordt dan niet meer gerept. ...

W.H. Morel van Mourik

Bron: Ons Erfgoed nr 3, 1996 blz 107-110

Het vermelde portret is van Egbertus Rentinck, de broer van Suzanne Rentinck. Het hangt in het Cultuurhistorisch Centrum te Vollenhove. Susanna Rentinck schonk bij haar overlijden haar (ouderlijke) woning aan het Kerkplein aan de (toen nog ondergedoken) RK parochie als pastorie, zie Rooms-Katholieke parochie 1580 - 1795.