diversen

artikelen in relatie tot Vollenhove die niet onder één van de andere categorieën passen. Bijvoorbeeld over het bestuur, bedrijvigheid, boeken, bezienswaardigheden anders dan gebouwen.

Doeke de Graaf tijdens ons gesprek in het Stadsmuseum Vollenhove in augustus 2017.

In de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) werden honderden kinderen uit het stedelijke westen van ons land naar het platteland gestuurd. Ten dele om veiligheidsredenen maar vooral om aan te sterken. Want 'thuis' was er in veel gevallen minder te eten dan op het platteland, waar boeren in landbouw en veeteelt zoveel mogelijk hun werkzaamheden voortzetten en veel andere mensen er een moestuin op nahielden.

Eén van die kinderen was Doeke de Graaff, geboren op 18 december 1929 in Voorburg, dichtbij Den Haag. Doeke was de zoon van een loodgieter en had twee broers en een zus. Hij woont tegenwoordig met zijn vrouw in Harderwijk. Met zijn vriend Harm Pierik, woonachtig in Ermelo, was hij op 4 augustus vorig jaar bij ons in het Stadsmuseum in Vollenhove te gast om te vertellen over de tijd die hij, gedurende de oorlog, in Vollenhove en andere plaatsen in de buurt had doorgebracht.

De eerste keer dat hij deze kant op kwam was in de zomer van 1942 en hij kwam toen terecht in het Overijsselse Nieuwleusen, terwijl zijn zus naar Vollenhove ging en onderdak vond bij de familie Jaap en Eef Roebers. Jaap Roebers was timmerman en had een schoenwinkel. Ze woonden toen aan het Kerkplein, 'waar nu de Chinees is', vertelt Doeke, die samen met zijn vriend die dag in Vollenhove al herinneringen heeft opgehaald. Ook weet hij nog dat de familie Roebers drie kinderen had. Zijn bezoek aan Nieuwleusen en dat van zijn zus aan Vollenhove was georganiseerd door de predikant van de Nederlands Hervormde kerk in Voorburg. 'Die dominees regelden dat onderling met elkaar', zegt hij glimlachend.

Jet en Brand Visscher. Foto: collectie Teunis ‘PATS’ Schuurman.

In 1943 gingen de bleekneuzen weer voor drie weken op pad en Doeke kwam nu wel in Vollenhove terecht, bij Brand en Jet Visscher, die in het straatje Aan Zee woonden. Hij verbleef toen alle drie weken in Vollenhove. De derde keer dat hij naar 'het Oosten' trok was in 1944. Toen kwam hij terecht bij de familie Jurjen Spans, aan de Noorde, in het huis op de dijk tegenover het pontveer naar Genemuiden. Boer Spans had twee onderduikers in huis, weet Doeke zich te herinneren. Ook weet hij nog dat hij gewoon mee moest helpen bij het boerenwerk. Dat was niet altijd zonder gevaar. In die tijd van de oorlog werd zo ongeveer alles wat bewoog in Nederland bestookt door Engelse jachtvliegtuigen. Zo maakte Doeke mee dat een melkauto op de dijk werd doorzeefd door Engels vliegtuiggeschut. Ook de werkers op het land werden niet met rust gelaten. 'Wij doken dan de greppels in', zegt Doeke.

Tocht naar Friesland

Doeke zat in de oorlog op de HBS, maar na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, kon hij niet meer naar school omdat de Duitsers die gevorderd hadden. In de hongerwinter kreeg de familie De Graaff van de huisarts te Voorburg te horen dat de kinderen zeer waarschijnlijk de winter niet zouden overleven. Het gezin leefde van suikerbieten, bloembollen en aardappelschillen. Opnieuw moesten ze naar het oosten. In januari 1945 werden een groep jongens en een groep meisjes uit Den Haag apart – tezamen mocht niet in die tijd – met gecharterde binnenschepen naar Friesland gebracht. De tocht ging via Amsterdam en Enkhuizen. De overtocht over het IJsselmeer was bij helder weer gevaarlijk vanwege de beschietingen vanuit de lucht, dus werd gewacht op bewolkt weer. Ze kwamen aan bij Galamadammen, in de buurt van Stavoren, waar een aantal vrouwen met manden vol broodjes op hen wachtte. De kinderen vlogen op de vrouwen af en binnen de kortste keren waren de manden leeg en kregen de laatsten niets meer.

In Galamadammen was er voor de kinderen geen onderkomen, zodat ze doorgingen naar Rijs in Gaasterland. Veel meer dan wat kleren in een door hun moeder gemaakte rugzak hadden ze niet bij zich. Uiteindelijk kwam Doeke met twee jongere broers terecht in Oosterzee, 24 kilometer verderop, achter Lemmer. Hijzelf kreeg onderdak bij een timmerman, die hen achterop de fiets kwam halen, en hij herinnert zich de ontvangst nog, vooral dat de vrouw van de timmerman uitriep 'dat ze zo graag een meisje had gewild'. Veel vertrouwen had hij er toen al niet meer in. Doeke 's broers Gerrit en Willem werden elders ondergebracht en een groot succes was ook dat al niet. Door alle commotie plaste zijn jongste broer van acht in bed en werd aan Doeke gevraagd daar iets aan te doen. Wat hij als vijftienjarige natuurlijk niet kon.

Doeke zelf verveelde zich behoorlijk bij die timmerman in huis en wilde nog maar één ding: naar Vollenhove, waaraan hij goede herinneringen had overgehouden. Doeke meldde zich af bij de dominee en met z'n drieën besloten ze toen via Kuinre en Blokzijl naar Vollenhove te lopen. En omdat de dijk gevaarlijk was wilden ze door de nieuwe Noordoostpolder die nog maar net drooggevallen was. Maar de toegang tot de polder werd bewaakt door een Duitse schildwacht, die hen niet doorliet. Waarna Doeke de plaatselijke dominee opzocht en hem vroeg mee te gaan om te proberen de schildwacht op andere gedachten te brengen. Dat lukte en ze trokken de polder in. Het was wel opletten geblazen, want de Engelse jagers namen ook hier alles onder vuur. Bij de brug bij Vollenhove aangekomen stond er weer een Duitse schildwacht, maar die liet de drie broers ongehinderd gaan.

De situatie bij de Noorde in de oorlog, op een luchtfoto van de RAF. Linksboven gaat de weg naar Vollenhove, rechtsonder naar de veerpont. In de linkerhoek van de T-splitsing staat de boerderij waar Doeke verbleef.

Met z'n drieën kwamen ze tenslotte onverwacht en rond etenstijd aan bij de familie Roebers in Vollenhove, die hen warm ontving. Maar die had zo geen plaats voor alle drie tegelijk. Ze hadden ook al een meisje uit Amsterdam in huis, plus nog een onderduiker. Doeke en zijn jongste broer Willem konden bij de Roebers blijven, 'tante Eef' bracht Gerrit naar Jet Visscher. De drie broers konden goed opschieten met de jeugd in Vollenhove. Dat ging gemakkelijk, vertelt Doeke, via de zoon van Roebers, Henk, die veel vrienden in de stad had met wie ze konden optrekken. Van die vrienden hoorde hij dat ze kattenkwaad uithaalden door in de kerk met pijltjes te schieten vanaf de galerij. Hij weet nog van het 'de poorte rond gaan', waarbij de meisjes aan de ene en de jongens aan de andere kant van de straat liepen. Hij kan zich ook nog herinneren dat Jaap Roebers illegaal stroom aftapte bij de buren, een detachement van de Duitse Kriegsmarine dat in de 'Latijnse School' zat.

De laatste dagen van de oorlog hebben de drie broers in Vollenhove doorgebracht en Doeke herinnert zich vaag dat op 16 april de Vollenhoofse politieman Harmen Visser door de Duitsers werd doodgeschoten toen hij op zijn motor op de dijk bij Schoterzijl reed. En tijdens het gesprek in het Stadsmuseum Vollenhove keken we naar buiten en zagen daar de naam van Harmen Visser prijken op het naambordje van het Harmen Visserplein. Meer herinneringen kwamen boven en Doeke vertelt dat zijn broer Gerrit nog een tijdje met dysenterie in de ziekenbarak bij Vollenhove heeft gelegen, daar waar nu Royal Huisman Shipyard gevestigd is.

Ziekenbarak bij Vollenhove, bij de brug naar de Noordoostpolder.

Bevrijding

De drie broers hebben de bevrijding meegemaakt in Vollenhove en Doeke kan zich nog voor de geest halen dat er toen een landverrader achter een motorfiets werd gebonden en door de stad werd gereden. Hij werd van alle kanten beschimpt en Doeke was het daarmee niet eens en vond het maar een beschamende gebeurtenis.

Met de ouders hadden de kinderen De Graaff tijdens hun verblijf in Vollenhove geen enkel contact. Wel kregen de ouders per post bericht dat hun kinderen in Vollenhove zaten. Eind juni 1945 stond plotseling Doeke 's moeder in Vollenhove voor de deur. Ze was vrijwilligster geworden bij het Rode Kruis en was liftend met verschillende Rode Kruiswagens naar Vollenhove gekomen. Zij wist in Zwartsluis een vrachtauto te regelen die naar Amsterdam zou gaan waarmee zij, haar eigen en andere kinderen naar het westen konden. Zodat ze begin juli 1945 weer in Voorburg bij Den Haag aankwamen.

Doeke is na zijn huwelijk nog wel een keer bij de familie Roebers over de vloer geweest, maar heeft na de oorlog toch weinig contact gehouden met mensen uit Vollenhove. Wel zijn Brand en Jet Visscher nog in Voorburg op bezoek geweest. Uiteindelijk heeft Doeke de Graaff met zijn vrouw Voorburg verlaten en is hij naar het oosten van het land vertrokken. Hij heeft in Ootmarsum gewoond en in Ermelo, vertrok daarna naar Lemmer om tenslotte neer te strijken in Harderwijk.

Dit artikel, dat ik samen heb geschreven met Johan ten Hove, stond maart 2018 in Kondschap

Er waren veel stedelingen in de middeleeuwen die niet konden of niet wilden werken. Dagloners moeten vooral in de winter vaak moeilijke periodes gekend hebben, wanneer vrijwel alle handel en bouwactiviteiten stil lagen vanwege de vorst. Ouden van dagen die niet door hun familie konden worden onderhouden, hadden het al evenmin gemakkelijk. Maar de arme inwoners van de stad werden niet aan hun lot overgelaten. Wel maakte men daarbij onderscheid tussen 'rechte armen' en luie oplichters. De erkende arme was iemand die door ziekte of ouderdom niet meer kon werken en tot de bedeling verviel. Hij kon van de stad een officiële bedelvergunning krijgen en had recht op een periodieke toedeling, bijvoorbeeld brood en soms vlees. Niet door de overheid erkende bedelaars werden geweerd. Zorg voor de leden van de eigen gemeenschap sprak vanzelf; van vreemden die in de stad kwamen klaplopen was men niet gediend. De zogenaamde thuiszittende armen, lieden die weliswaar hulp behoefden maar nog niet tot de bedelstaf waren vervallen, ontvingen een uitkering in natura.

In de vijftiende eeuw gingen rijke burgers er bovendien toe over om gasthuisjes te stichten waar bejaarden en invaliden konden wonen. Vaak waren dergelijke inrichtingen voor een bepaalde groep behoeftigen bestemd. Zo was Sint Jurgen in Brunnepe, bij Kampen, in de eerste plaats bedoeld voor de verarmde familieleden van de stichter. In de tweede plaats kwamen de arme schippers en pas daarna de andere dorpelingen. Deze nieuwe gasthuizen waren geheel andere instellingen dan de rumoerige passantenhuizen die net als de tegenwoordige 'sleep ins' één of twee nachten logies gaven aan willekeurige reizigers. 

Het reglement van het Deventer passantenhuis, de baaierd, vertelt ons meer over de omstandigheden in deze primitieve gratis hotels. De Deventer baaierd kon tot zeventig gasten herbergen, mannen en vrouwen sliepen apart. Wel konden meerdere gasten in één bed terecht, een praktische manier om elkaar warm te houden. Het grote vuur in het midden van de zaal was het punt waar de meeste bezoekers zich op koude dagen verdrongen. Er was dan ook vastgelegd dat de toezichthouder er speciaal op moest letten dat ouden van dagen en simpelen van geest niet werden weggeduwd.
Het moest er ordentelijk toegaan in deze baaierd. Wie een vrouw lastig viel, kon 'rokesole' verdwijnen. Schelden was verboden, ook voor de Vlamingen en de Hanzekooplieden. 

Met name aan handelaren en marskramers, zwervers en ander rondtrekkend volk boden de passantenhuizen tijdelijk onderdak. Het was met het oog op de laatste categorieën dat de verzorgsters door de regenten werden gewaarschuwd dat ze voor zweren en gezwellen niet bang moesten zijn. Die waren nu eenmaal een kenmerk van armen die een gasthuis bezochten. Dat de naam 'gasthuis' tegenwoordig meestal nog voortleeft in eigennamen van ziekenhuizen, is geen toeval. Naast de baaierd werd al snel een aparte ziekenzaal ingericht. Daar werden dan de zieken verpleegd, genezen konden ze er nauwelijks. Wie door ziekte werd bezocht, herstelde, stierf of bleef levenslang invalide. De medische wetenschap van die dagen kon daar weinig aan veranderen. In de ziekenhuizen legde men wijselijk het accent op de geestelijke verzorging van de patiënten.
Dat het in de gasthuizen niet slecht toeven was, bleek wel heel duidelijk toen in de late middeleeuwen welgestelde burgers zich tegen gepaste betaling lieten opnemen in een klein huisje naast de baaierd. In de loop van de tijd werden deze aanleunwoningen de hoofdzaak en de 'open ziekenafdelingen' werden gesloten.

  • Amsterdamsche Courant, uitgaven 1704-1811 - via Delpher
  • J. van Lennep en W.J. Hofdijk, merkwaardige kastelen in Nederland, deel 3, 1884
  • Genealogie Sloet 1292 – 1903, door Albert Willem Baron Sloet van Oldruitenborgh, te Luik, 1903
  • Het geslacht Sloet, door J.A.R. Kymmell, CBG, 1914
  • Ons eigen erf, jaargang 1936, Vollenhoofsche vissers varen ter visvangst
  • Nederlands Adelsboek, 1951 – 44e jaargang.
  • Vollenhove 1354 – 1954 en haar havezaten, korte schetsen uit de geschiedenis van deze stad en van de havezaten en haar bewoners, 1958, J. Westra van Holthe. Druk: Bremer, Assen. Geschreven ter gelegenheid van de herdenking van het verlenen van het stadrecht aan Vollenhove (feestweek 12 – 17 juli 1954), op basis van o.a. aantekeningen van onderzoekingen tijdens het tijdelijk verblijf te Vollenhove gedurende de oorlog. Beperkte uitgave, op basis van voorintekening. De lijst met intekenaren, plm. 200 stuks, is in het boek opgenomen.
  • Vollenhove, van vissersplaats tot..?, ETI Overijssel, Zwolle 1955
  • Steenwijker Dagblad, reeks krantenartikelen van J.G. Hofstede, 1963
  • Met een ducaat en een dubbeltje, levensschets van Eberhard Philip Seidel, door Hans Seidel, 16-11-1966 in een oplage van 300 in eigen beheer uitgegeven.
  • Geschiedenis van Overijssel, prof. dr. B.H. Slicher van Bath e.a., Culturele Raad van Overijssel, Kluwer, Deventer 1970.
  • Zwolsche Courant, artikel op zaterdag 16 maart 1974, door Hans Kerstiens, met 2 foto's en een plattegrondschets: de Schatgravers van Vollenhove.
  • De grote kerk van Vollenhove door de eeuwen heen, Meijerink, Halbertsma e.a., 1976 (uitgave Kerkvoogdij NH Kerk)
  • W.F. Wertheim en A.H. Wertheim-Gijse Weenink, Burgers in verzet tegen regenten-heerschappij. Onrust in Sticht en Oversticht 1703-1706, Amsterdam, 1976.
  • Mensema, A.J., Inventaris van het archief van het huis Oldhagensdorp te Vollenhove 1262-1862, Zwolle 1977. Twee delen.
  • Het land van Vollenhove, een historisch-geografische studie van het noordwestoverijsselse cultuurlandschap, door Jochem Kroes en Teunis Hol, Zwolle 1979.
  • De Joodse Gemeenten in de Kop van Overijssel, S. Laansma, 1981, Walburg Pers, ISBN 906011.356.X
  • Langs Wieden en Grachten van Noordwest Overijssel; een tocht in een historische omlijsting door een land van controversen en contrasten; door dr. Harm Schelhaas. Uitgeverij Waanders, Zwolle 1984, ISBN 90 6630 023.
  • Van tram, boot en bus, de geschiedenis van het streekvervoer in het Noordwesten van Overijssel, door Jacob H.S.M. Veen, uitgeverij Kok in Kampen
  • De scheepswerf van Jan Kroeze Roelofszoon, bakermat van de Vollenhover bol - Wim Kuyper, artikel uit "Spiegel der Zeilvaart” , Tagrijn, februari 1984
  • Kondschap, historisch kwartaalbericht van eerst de Stichting Oudheidkamer Brederwiede, later Stadsmuseum CHC Vollenhove - diverse artikelen 1984 – 2020
  • Herinrichtingsplan Vollenhove, Gemeente Brederwiede, Vollenhove 1985
  • Uit de geschiedenis van Brederwiede (Koos Dijkstra e.a., red.), Kampen 1986.
  • Stad Vollenhove 1700-1749, afstudeerscriptie drs. Jos Mooijweer, dec. 1987.
  • Havezaten in Vollenhove, A.J. Mensema en Js. Mooiweer, Zwolle1989.
  • Tweeduizend jaar geschiedenis van Overijssel, Leeuwarden 1990 (K. en L. Jansma, M. Schroor).
  • Klokken in Vollenhove, 1994, Rinus de Jong (isbn 90-74834-03-5
  • De ridderschap van Overijssel, A.J. Mensema, Js. Mooiweer en J.C. Streng (Waanders, Zwolle, 2000, ISBN 90-400-9472-1)
  • diverse krantenknipsels (1955-1980), prentbriefkaarten en oude foto’s (periode 1915-1950) in 2 albums verzameld door J.S. Jongman, Hengelo
  • Zuiderzeevissers, geschiedenis van de belangenorganisaties van de vissers op Zuiderzee en IJsselmeer, door K.W.J.M. Bossaers, Zutphen / Walburg Pers 1987, isbn 90-6011-533-3, 272 p.)
  • Inventarisatie Jongere Bouwkunst 1850-1940, objecten Gemeente Brederwiede. Het Oversticht, Zwolle 1988. 
  • banden 1 t/m 23 van J.L. (Laurent) Nering Bögel, Wanneperveen. Een verzameling gefotokopieerde collages van getypte teksten en foto’s. In de bibliotheek van Vollenhove aanwezig, o.a. geregistreerd onder nummer B9051 044 789 0.
  • De reformatie in het Land van Vollenhove, 1579-1609; scriptie M.O.-geschiedenis (Noordelijke Leergangen Zwolle), Berend Coster o.l.v. dr. 0. Groenhuis.
  • De bevrijding van het Nederlands Onderduikers Paradijs, Aaldert Pol, uitgave van Museum Schokland, 1995, Schoklandreeks nr 4, geen ISBN
  • Scholen tussen 1912 en 1942 in de gemeenten Stad Vollenhove, Blokzijl en Giethoorn; stage-opdracht Marijke Traast-Bos, studente geschiedenis Hogeschool Windesheim te Zwolle in 1996).
  • Coberco Kaas Vollenhove maakt geschiedenis - ’n volle eeuw zuivel (mei 1997)
  • School met den Bijbel 1903 – 2003, Basisschool Het Kompas
  • Van Monreal tot Mondria, E.J. en G.C. Mondria (privé-uitgave)
  • Monumenten in Nederland - Overijssel, Stenvert e.a., uitgave Monumentenzorg, ISBN 90-400-9200-1 (Waanders).
  • Augusteijn, J., Historische plattegronden van Nederlandse steden. Overijssel deel 9.1. De steden van Noordwest-Overijssel. Blokzijl, Genemuiden, Hasselt, Kampen, Kuinre, Steenwijk, Vollenhove, Zwartsluis en Zwolle alsmede Grafhorst en Wilsum, Werner, J. ed. (Lisse-Alphen aan den Rijn 2002).
  • Waardestelling van het zeventiende eeuwse portret van Egbertus Rentinck, in bezit van de parochie H. Nicolaas, te Vollenhove, drs. W.G.J.M. Meulenkamp (SKNN), 16-12-2002
  • Weerzien met Vollenhoofs erfgoed, 50 topstukken thuisgebracht. Js. Mooijweer, Stichting 650 Jaar Stad Vollenhove, 2004. ISBN 90-9018431-7
  • De havezaten in het Land van Vollenhove en hun bewoners, jhr A.J.Gevers, A.J.Mensema en Js. Mooijweer, Canaletto/Repro-Holland 2004, ISBN 90-6469-800-7.
  • Vollenhove, stad en vermaarde zonen, negen opstellen bij de viering van 650 jaar stadsrecht onder redactie van Jos Mooijweer, IJsselacademie Kampen 2005, ISBN 90-6697-167-3.
  • Ambulance uit klei gevormd, Geschiedenis van de ambulancezorg in de IJsselmeerpolders, Thijs Gras, 2005, ISBN 90 – 70674 – 26 – 2, NUR 693, RAV Hulpverleningsdienst Flevoland
  • Fabrieken op Schokland, katoenweverij van 1838 tot 1857, J. Spitse, Schokkervereniging 2007. ISBN 978-90-812155-1-0, NUR 685
  • Watergemaal A.F.Stroink; een monument in het Land van Vollenhove; dr. T.J. Rinsema. Meppel, Waterschap Reest & Wieden, 2008. 168 blz., ill., lit.opg. 23 X 23 cm. Geen ISBN. 
  • De muntslag door de Utrechtse bisschoppen te Vollenhove, lezing door Tom Passon uit Apeldoorn voor de Numismatische Kring Oost-Nederland op 11 april 2011.
  • Atlas van Nederland in het Holoceen, Beukers ea, uitgeverij Bert Bakker, 2011, isbn 978 90 351 3639 7
  • Tussen Steenwijk en Blokzijl, de wereld van bakker Jonkman; door Jaap Houwer, 2013 - geen isbn.

Duitse soldaten lopen de straat in om Marten Kingma en zijn gezin mee te nemen. Het gaat ze vooral om Marten, maar ook zijn vrouw en kinderen hebben informatie. Een verhoor op het bureau zal het wel uit ze krijgen. Als de soldaten merken dat het huis aan de Clarenberglaan in Vollenhove verlaten is, weten ze het zeker.

Tachtig kilometer boven Vollenhove viert de familie een ontspannen vakantie in Eernewoude. Regelmatig rijden de Kingma’s naar het Friese dorp om de regio waar vrouw Martha opgroeide op te zoeken. Samen met Marten bezoekt ze familie, vrienden en kennissen. Zoon Frank en de dochters maken er vrienden. Dat het de zomer van 1944 is, doet weinig af aan het vertier van de familie. Een paar weken later blijkt de vakantie in Friesland de redding van het gezin.

In de jaren daarvoor zit het bouwbedrijf van Kingma in de lift. Als een van de eerste aannemers trekt de NV Kingma naar de Noordoostpolder. Een financieel aantrekkelijk besluit, omdat in de vers geschapen provincie relatief veel gebouwd wordt. De zaken gaan zo goed dat Kingma eigenhandig een royaal pand aan de rand van Vollenhove uit de grond stampt, om er zelf met zijn gezin in te trekken. Ieder kind krijgt een eigen slaapkamer. Ook de rest van de Clarenberglaan komt uit de hamers van het bedrijf. Zelf wonen ze op nummer 1. 

Steevast zien de laatste wakkere buren nog licht branden in het kantoor van de eigenaar. Dan berekent en overdenkt Kingma tot diep in de nacht de financiële huishouding van de onderneming. Hij is een gevorderd bèta zonder ook maar één studie gevolgd te hebben. Maar net zo vroeg als de buren staat Kingma ’s ochtends weer op om naar de werkplaats honderd meter verderop te lopen.

Een man van weinig slaap en een man van weinig woorden. Als hij iets zegt, snijdt het vrijwel altijd hout. Wat Kingma in zijn hoofd heeft, voert zijn omgeving uit. Zijn nog levende 90-jarige zoon Frank noemt het geen angst, eerder ontzag. Zelfs Martens vader Albert, die het familiebedrijf oprichtte, kijkt tegen zijn zoon op, in plaats van andersom. Marten is 21 als hij binnen het bedrijf de baas is over zijn eigen vader en oudere broers.

Ook de bezetter zwicht voor zijn gezag, als twee Duitse soldaten en een commandant op een zondagavond op de deur kloppen. Zoon Frank doet open en laat de drie mannen binnen. Als Frank zijn vader naar de keuken heeft geroepen, neemt de commandant het woord.

“Sie müssen verdunkeln”. Vader Kingma verstaat het niet, of doet net alsof hij het niet verstaat en laat zijn zoon het bevel vertalen.

“We moeten verduisteren”, geeft Frank door, die op de ULO wél zijn talen leerde spreken.

“Zeg maar tegen ‘m dat ik niet met hem praat zolang die twee soldaten met geweren achter ‘m staan.” Frank geeft de boodschap door zonder zijn gezicht te vertrekken, maar foetert van binnen op zijn vader. “Godverdorie pap, hou je nu stil.” De commandant twijfelt even, maar stuurt zijn volgelingen alsnog de deur uit.

“Wat is het telefoonnummer van je hoofdcommandant in Zwolle eigenlijk”?, vraagt Kingma direct daarna. De Duitser krabbelt terug, gedoogt het verlichte huis en druipt geïrriteerd af. Zolang de familie het licht maar niet feller laat schijnen.  

Kingma denkt niet lang na als een kennis uit de directie van de Noordoostpolders belt. Voor een gesprek waarin iemand wordt gevraagd zijn leven op het spel te zetten zijn ze behoorlijk kortaf. Of er een gecrashte Amerikaanse soldaat tijdelijk op de Clarenberglaan kan verblijven? Alsof een klant vraagt om een setje extra dakpannen. Met hetzelfde gemak verleent Kingma de dienst. Er zullen nog 41 collega-soldaten volgen. 

In totaal staan er 37 Amerikanen op de lijst die één van Kingma’s dochters tijdens de Tweede Wereldoorlog bijhoudt. Slechts vijf namen ontbreken. Allemaal duiken ze tijdelijk onder op de zolder van de familie. Hadfield, Tracy, White. Achter sommige namen staat met een dun handschriftje een aantekening geschreven. John Alexanian, 540 W. Street 145, New York City.

Matrassen bedekken de hardheid van de houten vliering waar de onderduikers de dagen op doorbrengen. Het Amerikaanse uniform is dan al verwisseld voor burgerkleding. Kingma verbergt de pakken achter een luik op een afgesloten verhoging op de zolder.

Voor adolescent Frank doorbreekt het de sleur van de oorlogsjaren, waarin hij stopt met school en werkt in het familiebedrijf. ’s Avonds zorgen de piloten voor afleiding. Terwijl vader Marten zijn netwerk inschakelt om andere adressen te regelen, moeder en dochter de mannen verzorgen, functioneert Frank opnieuw als tolk. Hij kan er alleen niet over opscheppen tegen zijn maten. Alleen Franks beste vriend Klaas Bijlsma, die voor Marten werkt als uitvoerder, zit in het ondergrondse netwerk van de Kingma’s.   

Meestal blijven de soldaten niet lang. Frank en Bijlsma vervoeren ze vaak al gauw naar Meppel, vanwaar kennissen ze elders onderbrengen of richting bevrijd gebied smokkelen.

De autoritten tussen de plaats waar de soldaten neerstorten, de Clarenberglaan en Meppel zijn het gevaarlijkst. Vaak gaat roekeloosheid hand in hand met geluk. Zoals die keer dat de Duitsers als extra controle alle wegen van en naar de polder afsluiten en Bijlsma met zes piloten onderweg is naar de Kingma’s in Vollenhove. Op de weg bij de Kadoelen is keren geen optie. Dat zou verdacht zijn. Als Bijlsma dichterbij komt, ziet hij dat de soldaten de controlepost net opruimen. De bestuurder rijdt plankgas langs de opruimende Duitsers.

Uit angst voor een achtervolging stuurt Bijlsma de auto rechtstreeks naar de garage bij de werkplaats van de Kingma’s. Daar springt hij uit de wagen en wijst hij de Amerikanen naar boven. Pas als het aardenacht is, haalt Marten ze op en komen de mannen aan op de zolder van de familie. 

Net als Bijlsma drukt ook Marten Kingma op een dag zonder aarzelen het gaspedaal in. Nu niet omdat het verzet dreigt opgerold te worden, meer uit dwarsigheid. De landwacht aarzelt evenmin en opent het vuur van zijn buks richting de auto. Hij is nu eenmaal verantwoordelijk voor het controleren van de persoonsbewijzen en werkvergunningen. Wie zijn controlepost ondermijnt, zal het berouwen.

In de auto blijft het stil, ondanks het lawaai van het geweer. Kingma’s kinderen varen blind op de beslissing van vader om de landwacht te negeren en door te rijden. Tijd om te beseffen dat achter hen een man een geweer op de auto leegschiet, is er niet. Laat staan het besef dat Kingma een volstrekt onnodig risico loopt. De familie doorstaat de schietpartij omdat er geen kogels, maar hagels uit het wapen schieten.

Het gaat pas mis bij de ondergrondse als de Duitsers Klaas Bijlsma alsnog arresteren. In een auto van de Kingma’s vervoert hij illegaal benzine. ‘s Nachts in de cel ziet hij geen hand voor ogen. Murw van de klappen en uitgeput door de druk ziet hij slechts in een flits dat de deur open en dicht gaat. Tussendoor gooien de bewakers iets naar binnen. Als een zak aardappelen ploft het neer. Zijn instinct zegt dat het een mens is, maar energie om het uit te zoeken heeft hij niet. Pas bij daglicht krijgt Bijlsma zekerheid. De zak aardappelen is een nog zwaarder toegetakelde man.

De intimidaties stoppen als het lot opnieuw uitkomst biedt. De commandant neemt verlof en de Oostenrijkse invaller verruilt de dagelijkse portie marteling voor relatief normale gesprekken. Sterker nog, Bijlsma mag aan het werk voor de bezetter. Misschien uit goodwill, vermoedelijk uit het besef dat het einde van de oorlog nadert.

De rechterhand van de Kingma’s gaat akkoord, maar wil naar huis om schone kleren te halen. Het zal de laatste keer zijn dat Bijlsma de Oostenrijker ziet. Hij duikt onder in Makkum en zit in het Friese dorp aan het IJsselmeer de laatste maanden van de oorlog uit.

Via de autopapieren van Martens auto, waarin Bijlsma is gesnapt, komen de Duitsers de spil van het verzet op het spoor. De Kingma’s zijn dan allang ingelicht op het vakantieadres in Eernewoude. Daar maakt Marten een oud schip woonklaar en verlengt de vakantie noodgedwongen voor onbepaalde tijd.

Dit artikel kwam tot stand door een samenwerking van het Stadsmuseum Vollenhove  met studenten van de opleiding Journalistiek van Hogeschool Windesheim Zwolle, 2015. Geschreven voor de minor Storytelling door Geart van der Pol.

Zie ook van dezelfde schrijver: https://beta.volkskrant.nl/kijkverder/2017/verzet/

de Goudse glazen in de St. Janskerkeen van de Goudse glazenDe Grote of St. Janskerk is al vele eeuwen het voornaamste monument van de stad Gouda. In 1593 werd een verbouwing voltooid, waarbij de kerk haar huidige vorm van kruisbasiliek kreeg. Met een lengte van 123 meter is de kerk de langste van Nederland.
De St. Janskerk is wereldberoemd om haar prachtige zestiende-eeuwse gebrandschilderde glazen: de "GOUDSE GLAZEN".
Voor het grootste deel werden de ramen vervaardigd in de zestiende eeuw, waarbij de gebroeders Dirck en Wouter Crabeth, het leeuwendeel voor hun rekening namen. Met 2000 vierkante meter bezit de St. Janskerk de helft van al het middeleeuws gebrandschilderde glas van Nederland.
Eén van die glazen, voorstellende 'De onthoofding van Holofernes', werd geschonken door de weduwe van Jean de Ligne, Margaretha van der Marck, ter nagedachtenis (een bekende gewoonte in die tijd). De voltooiing was in 1571. Zowel hij als zijn echtgenote zijn echter vrijwel levensgroot in dit raam afgebeeld, hij met de ketting als teken van de Orde van het Gulden Vlies.
jean de Ligne, afgebeeld op glas 6Het raam is te zien in de Noorderzijbeuk van de kerk. Eén jaar na de voltooing van het raam, in 1572 dus, werd de kerk protestants….

Beschrijving van dit glas-in-loodraam, nummer 6, gemaakt door Dirck Crabeth, Gouda, 1571:
De stad Bethulië in Israël werd langdurig belegerd door Assyrische troepen. De bevelhebber Holofernes onthaalde Judith, die het vijandelijke kamp was binnengedrongen, in zijn tent op een feestmaal. Toen hij dronken was, onthoofdde Judith hem met zijn eigen zwaard. Achter de schenkers de H. Catharina (met gebroken rad en zwaard) en Johannes de Doper (met lam en kruis).