het Oldehuis, kasteel van de bisschop van Utrecht en woonplaats van de drostHet winterseizoen van 1507 begint met een zware storm, gevolgd door de zogenaamde Gallusvloed, die op St. Gallus, 16 oktober, de Zuiderzee teistert. Het zal drost-rentmeester Jurriaan Schenk van Toutenburg van het land van Vollenhove en zijn dienaren, die met veetransporten bezig zijn, nog lang heugen. In die jaren waren er spanningen rondom Gelre. Dit hertogdom verzette zich nog steeds tegen de greep, die de Bourgondische hertogen op de lage landen hadden gekregen. In die jaren heerste er bij tijd en wijlen een oorlogstoestand, vooral tussen Gelderland en Holland. Zo verschenen er Gelderse troepen bij Muiden en Weesp, ook Kuinre werd een keer overrompeld. De troepen, waarschijnlijk onderbetaald, maakten nogal eens strooptochten en grepen wat van hun gading was. Het verkeer tussen Utrecht en het Oversticht (Overijssel) was dus niet altijd veilig. Hieronder het verslag aan zijn landsheer, Frederik IV van Baden, de bisschop van Utrecht van 1496-1517 in wiens gevolg hij destijds in 1496 vanuit Zuid-Duitsland naar de Nederlanden kwam. Wijk bij Duurstede was toen de hoofdzetel van de bisschop, in Vollenhove had hij een 'zomerresidentie' in de vorm van het Oldehuis, een kasteel van waaruit hij het Oversticht bestuurde. De kortste en veiligste weg was over het water van de Zuiderzee.

"Op het schrijven van mijn genadige heer ben ik op Sint Lambertsavond naar Wijk bij Duurstede vertrokken. Vanaf de sluis ben ik uitgevaren met een rijnschip met 12 gezellen aan boord, die mij hielpen om de vracht te beschermen tot in de Eems. Ik heb de gezellen gegeven wat zij verteerd hebben, en evenzo ik met mijn dienaren tot bij Wijk bij Duurstede in de stad. In Wijk bij Duurstede hebben mijn dienaren gelogeerd in de ‘Wildeman’. Op woensdag na Sint Victor [13 oktober] stond mijn heer mij toe om weer naar Vollenhove te reizen. Via Utrecht reisde ik per schip naar Amsterdam. In Amsterdam heb ik tweemaal overnacht, omdat ik vanwege het weer en de wind moest wachten. Daarna reisden we naar Vollenhove, en vanwege storm en zwaar onweer zijn we, toen we bij Ens [op het eiland Schokland] waren aangekomen daar een dag en een nacht gebleven. In Ens werd het water zo hoog, dat wij daar op de zolders moesten verblijven. En omdat ik daar vier oorlogsschepen voor Muiden had geregeld om [uit Vollenhove ] de ossen van mijn genadig heer veilig over te brengen, hebben acht gezellen mij met een boot van de zolder gehaald en naar een rijnschip gevaren. Maar het weer en het water gingen zo tekeer, dat de ossen niet ingescheept konden worden. De oorlogsschepen zijn toen weer naar Muiden gevaren. Daarna voer ik met een schipper van Ens naar ‘de Noord’ [een buurtschap aan de Barsbeker dijk tegenover en ten noorden van Genemuiden]. Daar heb ik overnacht, omdat de dijken gebroken waren en het binnen en buiten vol met water stond, zodat men niet in Vollenhove kon komen.

Jurriaan of Georg Schenck, toen hij stadhouder was van Karel VDe keukenmeester heeft uit Zwolle de ossen van mijn genadige heer naar Vollenhove gezonden. Hij heeft Wynolt de drijver daar 7 st. voor gegeven. Tegen mei, toen de ossen buitendijks moesten, is Coop Heijnen met Rotger Bouke voor 2 Rijnse guldens het inscharen op 8 roeden overeen gekomen. Rotger Bouke heeft de distels in deze uiterwaard afgemaaid en het dake verbrand. En Johan Jeger heeft de ossen tien dagen lang geweid en gevoederd. Hendrik Engbertsen, Bene Hugen, Jacob Lammen zijn elk vier dagen bezig geweest om de uiterwaard af te sluiten en af te rasteren en Herman Holtiker heeft daarvoor vier dagen lang met zijn wagens en paarden, staken en rikhouders uit het bos aangevoerd. Johan Woltersen heeft in de uiterwaard toezicht gehouden op de ossen. De schouw van de wegen en weteringen van het Kampzathinger-slag is aanbesteed.

Om de dijken van mijn genadige heer bij de Benten te repareren, die dit jaar zeer slecht zijn geweest door de hevige storm en het hoge water, heeft Herman Holtiker met zijn wagens en paarden daar rijs-staken, planken en palen heen gebracht. Hij is er zes dagen lang mee bezig geweest. Voor zijn kosten is hem bovenop zijn kost 6 st. per dag gegeven, in totaal 2 R.gld en 8 st. Om dit rijshout, planken en stokken te verwerken, is Henrick Engbertsen, Jacop Lammen, Bene Hugen, Roe Geert geweest, om horsttuien en vleugeltuien te maken, en om de planken aan het einde voor de dijk te slaan. Elk zes dagen lang; waarvoor een ieder 3 stuivers per dag bovenop de kost heeft ontvangen. Deze dijk was veel aarde kwijt geraakt; en om dat weer aan te vullen en schouwvrij te maken is Geert Jansen met zijn wagens en paarden hier zeven dagen lang geweest. Hij kreeg per dag boven op de kost 6 st.

De dijk van mijn genadige heer bij Barsbeek, was eveneens slecht en zeer beschadigd. Om die weer te maken, heeft Herman Holtiker er met zijn wagens en paarden rijs, schaaldelen en staken met palen heen gebracht. Hij is hier negen dagen mee bezig geweest. Hendrik Eugbertsen, Bene Hugen, Jacob Lammen, Roe Geert, Egbert op de Borchgraven hebben genoemde materialen verwerkt, horsttuien, vleugeltuien en de schaaldelen ingeheid, en ook jonge wilgen gepoot. Zij zijn hier elk zes dagen geweest. De Barsbeker dijk had door de storm veel aarde verloren. Johan Gerritsen heeft daar met zijn wagens en paarden tien dagen lang andere aarde heen gebracht. Ook de dijk van mijn genadige heer, die toebehoort aan de Hofmaat, is uitbesteed om dit jaar schouwvrij te maken.

Eveneens is de dijk van mijn genadige heer bij de Grote zijl [sluis], die er zeer slecht aan toe was, aanbesteed aan Geert Janssen om schouwvrij op te leveren. Ook de dijken van mijn genadige heer bij de Noorde, die ook zeer slecht waren, zijn aanbesteed aan Johan Drubbel om schouwvrij op te leveren. Tenslotte is er nog één stuk dijk bij Barsbeek, toebehorende aan de Oldenhof aldaar, aanbesteed om voor ongeveer 1 Rijnse gulden schouwvrij te laten maken."

De rentmeester becijferde een schadepost voor de dijken van 36 Rijnse guldens en 18 stuivers. Bovendien was er een flinke schadepost voor het leien dak van het kasteel zelf. Die winter nog regelde Schenk nog enkele veetransporten. Van Kuinre vertrok een schip met ossen naar de Eem, onder begeleiding van een oorlogsschip uit Amsterdam. Na onderhandelen met Gelderse autoriteiten en betaling van zekere bedragen werd "paspoort en vrijgeleide" verkregen voor het transport van 54 ossen, die in februari via Hattem en Elburg naar het Sticht werden gedreven. De ossen waren opgefokt op de bisschoppelijke domeingronden in Salland en het land van Vollenhove. En eind november werd nog een koppel van 70 à 80 vette varkens van Vollenhove naar de Eem verscheept. Deze varkens waren vanuit Twente naar Vollenhove gedreven. Zelfs het loon van de mannen die de varkens het schip in droegen werd verantwoord!
Het bisschoppelijke hof blijkt nog sterk op voorziening vanuit de eigen landbouwbedrijven te zijn ingesteld. In het westen en in het zuiden van het land hadden de grootgrondbezitters, vooral de adel en de kerkelijke instellingen, hun domeinen reeds lang verpacht of zelfs geheel afgestoten. Tienden en heerlijke rechten waren daar ook verpacht of in geldbedragen omgezet.

Bron: K. Heeringa, Rekeningen van het bisdom Utrecht 1378-1573, W.H. G., 3e serie 50 II Utrecht 1926. Daarin: Rekening van den rentmeester van Vollenhove, 741 - 744, 754 - 755. B.W. Braams. Merkwaardige transporten over de Zuiderzee.

Eerder gepubliceerd in De Vriendenkring, winter 1989, 29e jaargang no. 4, 4-5