Dit verhaal uit 1849 begint in Durgerdam, een vissersplaatsje even ten noorden van Amsterdam aan de Zuiderzeekust. Daar woonde de visser Klaas Bording met zijn gezin, waaronder twee zoons van 19 en 17 jaar, Klaas en Jacob genaamd.
Het jaar 1849 begon met een lange vorstperiode, die al begonnen was met Kerst, en duurde tot 12 januari. De Zuiderzee was voor een deel dichtgevroren. Dat gaf de vissers uit Durgerdam en ook uit andere vissersplaatsen de gelegenheid een bijzondere vorm van visserij uit te oefenen: het botkloppen. De visser gaat daarbij met een slee, waarop een aantal netten, palen, een bijl en een zware houten balk, het ijs op. Op een zekere afstand uit de kust wordt een bijt van ongeveer 2 bij 2 meter in het ijs gehakt en daarom heen vier kleinere bijten. Met behulp van de lange palen worden de netten onder het ijs gespannen. Dan neemt de visser de zware houten balk, ruim een meter lang, zet zijn voet tegen het ene einde en trekt met een touw het andere einde omhoog. Vervolgens laat hij de paal op het ijs vallen. Dat geeft een enorme dreun. Dit herhaalt hij een aantal malen. Daardoor worden de botten - platvissen die op de bodem van de zee rusten - opgeschrikt en zij zwemmen alle kanten op en komen daardoor in de onder het ijs gespannen netten terecht. Wanneer de visser het geluk heeft een plaats te treffen, waar veel botten verzameld zijn, kan hij een behoorlijk aantal vangen.

Zo gaat op zaterdag de dertiende januari van het jaar 1849 de visser Jacob Bording, toen 45 jaar oud, met zijn beide zonen (Klaas van 19 en Jacob van 17) ook het ijs op om te gaan botkloppen. Zij hebben die morgen nog vis verkocht in Amsterdam en zijn dus vrij laat op de dag de Zuiderzee opgegaan. De plekken die het dichtst bij de kust liggen zijn al door andere vissers ingenomen, waardoor zij gedwongen zijn verder het ijs op te gaan. Maar na enige tijd besluiten ze een poging tot visvangst te wagen. Er is snel een bijt gehakt, de netten worden gespannen en even later klinkt het dreunen van de klopbalk tot in de verre omtrek. Als ze enige tijd later het net ophalen, blijken ze een goede vangst gedaan te hebben. Daarom besluiten ze nogmaals een eind verderop de netten uit te zetten. Het wordt al later op de dag en de schemering begint al in te vallen. Het weer is slecht geworden. Na weken van strenge vorst is de dooi ingevallen en harde wind en regenstriemen teisteren de drie vissers. Maar de goede vangst verzoet veel. Na korte tijd hebben ze al 750 vissen gevangen. Dat brengt hen ertoe het nog eens te proberen. Hoewel het eigenlijk al te donker wordt en de overige vissers al lang huiswaarts gekeerd zijn. Maar als ze dan weer een grote bijt en vier kleinere bijten gehakt hebben en met een lange stok de netten vast in de grond willen zetten, bemerken ze tot hun schrik, dat de stok over de bodem sleept. Dat kan maar één ding betekenen: het ijs is gaan drijven. Ze laden snel hun spullen op de slee en haasten zich naar de vaste wal, naar huis, maar wat ze al vreesden. blijkt waarheid te zijn: de grote ijsvlakte van de Zuiderzee is door de dooi en de wind losgeraakt van de oever en er gaapt een brede kloof van water tussen de drie vissers en de vaste wal. Het is onmogelijk om hier nog van het ijs af te komen. Misschien lukt het ergens anders nog. Ze keren de slee en haasten zich door de donkere nacht naar het zuiden. Maar bij Naarden, bij Huizen, overal grijnst het donkere water hen toe. De uitgestrekte ijsvloer is inmiddels ook begonnen te scheuren en overal ontstaan enorme ijsschotsen. Het is onmogelijk nog ergens de vaste oever te bereiken.

Schilderij van de drie Durgerdammer vissers, gemaakt in 1858En dan begint voor de drie vissers een zwerftocht over de Zuiderzee, die veertien volle dagen zal duren. Onvoorstelbare ontberingen hebben de drie mannen op de ijsschots geleden. Dan weer ijskoude regens, dan weer dichte mist, soms afgewisseld met een dag met heldere zonneschijn. Wisselende winden drijven de schotsen dan weer naar het noorden, dan naar het oosten of zuiden en soms in de richting van de Waddenzee en de Noordzee. De schotsen glijden over elkaar, tegen elkaar aan en breken af. De Bordings zijn gedwongen een paar maal op een grotere schots over te stappen. Het water, dat over de schots heen golft, doet hen verstijven van de kou, hun voeten zijn opgezet door het water, ze kunnen de klompen niet meer uitkrijgen. Honger en dorst doen een aanslag op hun uithoudingsvermogen. Ze vangen regenwater op in een stukje zeildoek, ze eten rauwe botten. Om hun slee lichter te maken, hebben ze bijna de gehele vangst en een aantal gereedschappen, zoals botbalk en bijl, al in het water laten glijden. Op zeker moment wil ook vader Bording een eind aan de beproeving maken door zich van de schots te laten glijden. Met de grootste moeite kunnen de zoons hem van dit plan weerhouden. Soms schijnt de redding nabij. Een week na het begin van de dwaaltocht, op een zondagmorgen, drijven ze zo dicht langs de kust van Enkhuizen, dat ze op de torenklok de tijd kunnen aflezen en honden horen blaffen en de kerkgangers langs de kade op weg naar de kerk kunnen zien gaan. Hun wanhopig geroep wordt echter niet gehoord en even later doet een lichte draaiing van de wind hun ijsschots weer wegdrijven van Enkhuizen. Enkele dagen later, in de buurt van Schokland, zien ze in de verte een tjalk voorploeteren tussen de schotsen. Ze drijven er op af en schreeuwen uit alle macht, maar tevergeefs. Schipper Otten uit Zwartsluis merkt hen niet op en de tjalk verdwijnt in de verte.

Inmiddels was er in Durgerdam meteen een zoekactie naar de vermiste vissers op touw gezet. Visser Pauw had een aantal dorpsgenoten bereid gevonden met hem uit te varen om te gaan zoeken. Maar al na korte tijd moesten ze terugkeren. De dichte mist en de zware ijsgang verhinderden de poging de verdwenen Bordings te vinden. Het verhaal van de vermiste vissers was ondertussen via de kranten door het hele land bekend geworden. Dat leverde soms ontroerende reacties op. Zo ontving vrouw Bording een brief uit Amsterdam van twee kinderen, die hun spaarpot geleegd hadden en de inhoud, verdubbeld door hun vader en groot tien gulden, in de brief bijgesloten hadden. Alom had men deernis met de arme vrouw, die men inmiddels al weduwe waande. Immers, wie zou de barre tocht op een ijsschots kunnen overleven?

Vollenhove

In Vollenhove zag men ondertussen met verlangen uit naar het einde van de winter. De visserij lag stil en er heerste bittere armoede in het stadje. Elke dag trokken de vissers wel even naar de zeekant om te zien of het al mogelijk was uit te varen. Op zekere dag zagen enkele vissers, die naar huis terugkeerden, op het Kerkplein een groep meeuwen opvliegen. Een van de vogels liet uit zijn snavel een haring vallen. Dat betekende, dat er ergens op de Zuiderzee al voldoende open water was, waardoor de meeuwen een haring konden vangen. Twee vissers, Klaas Edelenbosch en Gerrit Visscher, besluiten de volgende dag een poging te wagen ergens open water te vinden om hun netten uit te zetten. Op zaterdagmorgen 27 januari varen twee scheepjes uit de haven, bemand door respectievelijk Klaas Edelenbosch en zijn knecht Steven Croes, en Gerrit Visscher met zijn knecht Frederik Croes. Ze vinden in de buurt van Blokzijl inderdaad enig open water, maar als ze hun netten weer binnen boord halen blijkt de vangst slecht te zijn. Onderweg naar het open water hadden ze in de verte in het samengepakte ijs enige zwarte stippen ontwaard, maar ze meenden, dat het grondijs was, kluiten aarde vastgevroren aan de ijsvloer. 

Maar als ze op de terugtocht wat dichter langs de ijswal varen, horen ze hulpgeroep. Dat moeten de Durgerdammer vissers zijn, van wier droevig lot men ook in Vollenhove al gehoord had. Ze wenden onmiddellijk de steven en naderen het hulpgeroep. En inderdaad, drie mannen op een slee, die uit alle macht de aandacht proberen te trekken. Aan de mast op de slee is een rode zakdoek gebonden en de koffieketel hangt in de top. Edelenbos en Visser proberen de ongelukkigen te bereiken, maar hun scheepjes zijn te klein om door de ijsmassa heen te komen Er moet andere hulp komen. Eén van de punters vaart terug naar Vollenhove om een zwaardere boot te halen. Even later vaart de ijsvlet, een sterke roeiboot, bemand door Jan Driezen, Gerrit Zoetebier, Hendrik Edelenbos en Piet Tabois (afkomstig uit Durgerdam) uit de haven, gevolgd door de tjalk van schipper Arend Jongman - deze met 30 Vollenhovenaren aan boord, met ladders, touwwerk en levensmiddelen. Het kost de grootste moeite door de samengeklonterde ijsschotsen te komen. Buitenboord hangend moeten de mannen met de voeten de ijsschotsen kapot trappen en wegduwen. Maar eindelijk lukt het toch de ijsschots met de drie mannen te bereiken. De uitgeputte Durgerdammers worden voorzichtig van de slee overgebracht naar de roeiboot. Het is net op tijd, want meteen daarop verdwijnt de schots met de slee daarop onder water. De moeizame terugtocht naar Vollenhove wordt aanvaard. Daar is inmiddels alles in gereedheid gebracht voor ontvangst. In het logement van stadsbode en kastelein Willem Souer (nurestaurant Seidel) is een kamer gereed gemaakt, de arts, dokter Ekker, is gewaarschuwd, evenals de beide predikanten ds. Uden Masman en ds. Dibbets. Onder luid gejuich worden de geredde mannen naar binnen gedragen, ds. Dibbets spreekt een dankgebed uit en ds. Uden Masman zal via een brief de familie in Durgerdam verwittigen van de goede afloop. Dokter Ekker is echter na een eerste onderzoek somber gestemd over de overlevingskansen. De drie mannen hebben te veel geleden.

In Durgerdam wordt het bericht uit Vollenhove, door de postbode voorgelezen aan de analfabete vrouw Marretje Bording-Staats, met grote vreugde ontvangen. Meteen wordt de reis naar Vollenhove ondernomen, waar moeder Bording en enkele familieleden nog net op tijd arriveren om bij het sterven van de oudste zoon Klaas te zijn. Op 7 februari wordt hij op het kerkhof op de Voorst begraven. Veertien dagen later is ook vader Bording bezweken aan de doorstane ontberingen. Ook hij wordt begraven op de Voorst. Na enige tijd kan vrouw Bording met de jongste zoon terugkeren naar Durgerdam. In Vollenhove is meteen een steuncomité gevormd, dat in korte tijd voldoende geld bijeenbrengt om de weduwe Bording een jaarlijkse uitkering te verschaffen en om voor de jonge Jacob een vissersboot te kopen. Bovendien wordt op het graf een grafsteen geplaatst. Eén van de eerste acties van het steuncomité is het laten verschijnen van het verhaal, grotendeels als interview met Bording sr., in een regionale krant. Dat dit menselijk drama op brede belangstelling mocht rekenen blijkt ook uit berichten in andere kranten van die tijd, en de nog weken daarna in die kranten opduikende giften: het was in die tijd gebruikelijk om een gift naar het kantoor van de krant te brengen.

Overigens wordt in het schrijven van het steuncomité duidelijk dat dit niet de eerste wonderbaarlijke redding was van vader Bording: ook in 1833, bij het vergaan van zijn schuit in een storm, kon hij net op tijd overspringen op een Urker vissersboot die hem uiteindelijk bij Genemuiden aan wal bracht. Sinds die tijd verkeerde het gezin, met zes kinderen, in uiterst armoedige omstandigheden, een reden te meer voor het steuncomité om te zorgen voor langdurige hulp.

Boeken

Een van de activiteiten van het stuurcomité was de uitgave van een boekje met de titel: "Authentiek verhaal der wonderbare redding van Klaas Klaassen Bording en zijn beide zonen na een veertiendaagsch omzwerven op het drijvend ijs in de Zuiderzee". Het boekje heeft als ondertitel: "Uitgegeven ten voordeele der geredden door eene commissie te Vollenhove. Met portretten en een kaartje van een gedeelte der Zuiderzee. Gedrukt te Zwolle bij R. van Wijk Anths. Zoon, 1849." Daaronder wordt vermeld: "Wij staan u borg voor de waarheid van het vermelde; het is door drie Leden onzer Commissie, H.H.G.J. Jacobson, E.P. Seidel en G. Costers uit den mond van BORDING opgeteekend, en naar die opgaven door Ds. H. Uden Masman bearbeid en op schrift gesteld."

De inhoud van dit boekje heeft als bron gediend voor een aantal boeken, dat nadien over deze gebeurtenis verschenen is, tot in onze tijd toe. Een van de bekendste is wel het verschillende malen herdrukte boek van S.Abramsz: "Veertien dagen op een ijsschots", voor het eerst uitgegeven in 1889 en in 1952 al voor de vijfde maal herdrukt. Dit boek is eigenlijk bedoeld als jeugdboek, maar wordt door volwassenen ook nog graag gelezen. Het staat inmiddels integraal op internet bij de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren. In 1986 verscheen van Mieke Dorrestein een jeugdboek over dit onderwerp met ook de titel: "Veertien dagen op een ijsschots". In 1999 verscheen van de bekende schrijfster Anna Enquist de verhalenbundel "De kwetsuur". In deze bundel is het eerste verhaal een vrije, literaire bewerking van de hierboven beschreven gebeurtenissen.

Monument bij de haveningang en de Grote Kerk, gemaakt door Henny Zandjans in 2000Grafsteen 

De originele grafsteen van het graf van vader en zoon Bording bevindt zich nu in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen, in een van de huisjes in de zogenaamde Vollenhoofse buurt. Een replica bedekt nu het graf in Vollenhove. Op de grafsteen is de volgende tekst gebeiteld:

In dit graf rusten Klaas Klaassen Bording, oud 45 jaren, overleden 25 februari 1849 en zijn zoon Klaas Bording, oud 19 jaren, overleden 4 februari 1849, twee der drie geredde Durgerdammer visschers, die na volle 14 dagen op een ijsschots in de Zuiderzee, alleen met rauwe bot gevoed, te hebben rondgedreven, den 27sten januari 1849 van onze visschers zijn ontdekt en aan wal gebracht, zijnde de jongste zoon, Jacob Bording, hersteld naar Durgerdam teruggekeerd.

Psalm 23

Monument

Op zaterdag 8 juli 2000 werd in Vollenhove een beeldhouwwerk onthuld, dat de herinnering levend houdt aan de "Durgerdammer vissers". Het beeld heeft een plaats gekregen aan de westkant van de Grote Kerk, tussen debinnenhaven en de buitenhaven. Het initiatief tot plaatsing is genomen door de Belangenvereniging Vollenhove-Stad. Het beeld is vervaardigd door de kunstenaar Henny Zandjans uit Diepenheim.