Opstand van de burgers tegen de oligarchie

In Vollenhove hebben zich in de 18e eeuw roerige gebeurtenissen voorgedaan. Hoewel de geschiedenisboeken dat voor ons tot voor kort verborgen hebben gehouden, weten we nu, onder meer uit onderzoekingen van het echtpaar Wertheim, hoe in het begin van de 18e eeuw, hier in Vollenhove, burgers in verzet kwamen tegen de regentenheerschappij. Evenals in andere steden staken hier de zogenaamde Nieuwe Plooiers hun nek uit. Het leverde in eerste instantie niets op: de heersende regenten wisten de opstand bekwaam de kop in te drukken. De strijd werd puur juridisch voortgezet, onder leiding van de Vollenhoofse jurist Timan Coops. Echter pas 6 jaar na de Franse revolutie kwam ook hier vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Wij denken vaak, dat inspraak en openbaarheid zaken zijn, die in recente tijd moesten worden bevochten. Niets is minder waar. In de provincies Utrecht, Gelderland en Overijssel werd daarvoor reeds geijverd in het begin van de jaren 1700. De bestierende regenten vulden hun gelederen veelal aan bij coöptatie, en op een bepaald moment wekt zoiets wrevel, die tenslotte uitmondt in weerstand. Zo ook hier in Noordwest-Overijssel, en dan vooral in Vollenhove. Deze weerstand tegen die zichzelf kiezende en handhavende regering, die aan generlei openbaar toezicht was onderworpen, heeft zich niet beperkt tot enkele opstandige lieden. Neen, de annalen maken melding van 'samenrottinge van de gehele gemeente buiten kennisse van de regering'. Op de Landdag van de Staten, op 17 april 1703 bijeen in Kampen, werd zelfs melding gemaakt van het 'tumultueuselijck' bijeenkomen van een groot gedeelte van de burgerij in Steenwijk. Natuurlijk werd dit alles afgekeurd door de hogere macht, die de provincie was. Met politieke foefjes en zwaar geschut liet de burgerij zich imponeren, laten we maar zeggen: inpakken. Men had nog onvoldoende politieke ervaring om te weten hoe je op dit soort zaken moet reageren. De zaak loopt dus met een sisser af; jawel, op de korte baan bekeken. Maar wezenlijk waren het duidelijk herkenbare symptomen van een republiek, die naar haar ondergang neigde. De Nieuwe Plooiers kunt u beschouwen als democratische patriotten avant la lettre. De Wertheims schrijven: 'de burgerij van Vollenhove gaat de strijd voor haar rechten voortaan langs zuivere legale weg voeren - en die weg zal moeilijk en, ondanks de langdurig voortgezette strijd, weinig succesvol blijken'. Voorshands wordt het ontwaken van de burgerij gesmoord in wat de grote voorman van de Patriotten, Joan Derk van der Capellen tot den Pol, duidde als het 'infernaal placcaat', dat de Staten van Overijssel op 3 juni 1703 aanvaardden. Dat plakkaat betekende niet minder dan de volledige beknotting van alle burgerlijke vrijheden. Overigens, het bleef ook de jaren daarop onrustig. Wie eenmaal aan de vrijheid heeft geroken, wil ook uit die vrijheid kunnen ademen.
De inwoners van Vollenhove - de Wertheims doen daar een kostelijk boekje over open - hebben nog getracht, jarenlang zelfs, langs legale weg wat te bereiken. Maar zonder resultaat. Bij regenten geeft men je immers nooit thuis.
De conclusie van de Wertheims citeer ik voor u: 'de burgers van Vollenhove hadden ervaren dat het bewandelen van de legale weg voor de zwakkere partij nauwelijks kansen bood in een strijd tegenover een veel machtiger establishment, dat in laatste instantie rechter was in eigen zaak'.

Uit: Langs Wieden en Grachten van Noordwest Overijssel; een tocht in een historische omlijsting door een land van controversen en contrasten; door dr. Harm Schelhaas. Uitgeverij Waanders, Zwolle 1984, ISBN 90 6630 023.

NB: bovenstaande lijkt, overigens zonder referentie, te zijn gebaseerd op: W.F. Wertheim en A.H. Wertheim-Gijse Weenink, Burgers in verzet tegen regenten-heerschappij. Onrust in Sticht en Oversticht 1703-1706, Amsterdam, 1976.

Zwolle en Kampen lieten aanvankelijk niets van zich horen. Toch groeide ook hier de machtsstrijd, die als een twist tussen regentenfamilies was begonnen, uit tot een massale burgerbeweging. In het begin waren het de door Willem III buiten de colleges gehouden oud-burgemeesters die hun positie wilden heroveren. Deze groep kreeg versterking van hen die vochten voor meer medezegggenschap en een grotere controle op de stadsfinanciën. Burgergecommitteerden dienden de burgerij te informeren over de gang van zaken; zelfs de magistraat werd gedwongen hen te erkennen.
De kleine steden beriepen zich elk op hun privileges, in de 13de eeuw ontvangen uit handen van de bisschop van Utrecht als representant van het keizerlijk gezag. In deze geest van de middeleeuwen kon een feitelijk in zichzelf al verdeelde beweging geen lang leven beschoren zijn. Veel vertegenwoordigers ervan keken niet verder dan hun eigen stadsmuren; solidariteit van de steden onderling was nog een onbekend fenomeen. In Deventer diende in februari 1703 een groep oude, door Willem III afgezette regenten onder leiding van Lambert Nylant een bezwaarschrift in bij de magistraat. Zij stelden daarin dat zij in het verleden ten onrechte uit het stadsbestuur waren gezet en hun oude plaatsen weer opeisten. Het stadsbestuur besloot het stuk niet in behandeling te nemen. Onder de burgerij ontstond hierdoor beroering. Gilden mengden zich in de strijd om meer zeggenschap aangaande stadszaken te verkrijgen. Een voornamelijk negatief gericht bondgenootschap was hiermee ontstaan: twee ontvreden partijen die besloten samen actie te voeren. Dit akkoord leidde ertoe dat de volgende dag meer dan duizend mensen naar het stadhuis trokken om het ontslag van de zittende magistraat te eisen. De meerderheid van het bestuur ging overstag, slechts een klein aantal functionarissen protesteerde. Ze verdwenen pas nadat ze bedreigd waren om 'door degens en stokken, die voor de raetkamer stonden, weggedreven te worden'.
De week daarop bleek dat de Nylant-partij minder dan de gilden van de opstand had geprofiteerd. De laatsten bezaten voortaan een meerderheid in de Gezworen Gemeente. Weldra bleek dat hun streven naar meer democratie niet oprecht was geweest; zelfs het verafschuwde stelsel van 'contracten van correspondentie' bleef gewoon gehandhaafd. Dat hield in dat de nieuwe regenten elkaar bij toerbeurt de financieel aantrekkelijke baantjes toeschoven.
In Rijssen protesteerde de burgerij tegen het feit dat de magistraat en de gemeenslieden een complot vormden en 'elkaar den bal toesloegen' aldus een verslag. De burgers wensten zelf de gemeenslieden te kiezen, zoals in Oldenzaal, Ootmarsum en Delden gewoonte was.

In Vollenhove was de oligarchie nog verder doorgewoekerd. Daar werd, in tegenstelling tot andere steden in Overijssel, de magistraat niet door de meente gekozen, doch hanteerde men een systeem van coöptatie. Gedurende het bewind van stadhouder Willem III hadden de gemeenslieden dit moeten dulden. Nu de keur vrij was, wilden ze de burgemeesters weer zelf kiezen. Daartoe dienden ze bij de Staten van Overijssel een verzoekschrift in, zich beroepend op een 'toevallig' in het stadsarchief gevonden, door Rudolf van Diepholt in 1450 verleend privilege. Daarin stond dat de keur van de burgemeesters jaarlijks moest geschieden door zeven gemeenslieden die via loting werden aangewezen.
De Staten beslisten echter tot twee keer toe negatief omdat ze het stuk niet authentiek achtten. Verder dreigden zij dat de gemeenslieden zich van dergelijke ondernemingen moesten onthouden, op straffe van 'als perturbateurs van de gemene ruste te sullen worden gestraft'. Dit dreigement had tot gevolg dat de onrust in het stadje escaleerde. De opgewonden burgerij begaf zich met man en macht naar het stadhuis om meer controle op stadsfinanciën en stadbestuur te eisen. De ontevredenen besloten gecommitteerden aan te stellen, de oude meente af te zetten en te vervangen. Het laatste bedrijf was de verkiezing van een nieuwe magistraat. Deze revolutionaire actie werd echter verijdeld door de drost van Vollenhove.
Toen de keur als vanouds ter approbatie werd voorgelegd, verklaarde hij ze ongeldig. De gecommitteerden, geschrokken als ze waren, verklaarden in aanwezigheid van de burgerij dat zij uit respect voor drost en Staten de verkiezing als niet wettig moesten beschouwen. Wel rekenden ze erop dat de oude privileges zouden worden hersteld. De burgerij van Vollenhove, aangevoerd door de jurist Timan Coops, besloot daarop de strijd voor haar rechten op legale wijze te voeren. Het werd een lang juridisch gevecht dat op de lange duur toch vruchten zou dragen.

In Steenwijk leidden de plooierijen tot grote onrust. De burgerij had veel grieven tegen het beleid van het stadsbestuur. Zij beklaagde zich over de hoge tollen en over het feit dat een burgemeester zelf de stadslanderijen verpachtte. De ontevredenen eisten in 1702 met name openbare controle over de stadsfinanciën. Medio april verzamelde een talrijke menigte zich voor het stadhuis. Niet alleen de meente werd afgezet en vervangen door een nieuwe, ook de magistraat onderging dit lot. De gewestelijke bestuurders waren door deze maatregelen zo gealarmeerd dat ze de Staten-Generaal en de Staten van Friesland om militaire steun vroegen. Tegelijkertijd besloten zij de oude bestuurders weer in hun functie te herstellen.
Op 13 mei maakten drie compagnieën soldaten, na inneming van Steenwijk, een einde aan het verzet van de burgerij. De plooierijen hadden ook in deze stad niet meer opgeleverd dan een wisseling van een paar leden van de meente.
In juni 1703 brachten de Staten van Overijssel de beslissende slag toe aan het streven naar meer democratie. Een 'duivels pakkaat', het zogenaamde 'infernaal', verbood burgers uit de kleine steden ten strengste voorstellen te doen 'praetexterende het voorstaan van wetten en privilegien, het afschaffen van schattingen en veranderinge van regeringe of eenige andere saken'. Samenvattend kunnen we stellen dat de plooierijen in Overijssel zich kortstondig en onsamenhangend hebben gemanifesteerd. Rond 1748-1750 en in de Pattriottentijd zouden de bestuurders zich meer inspanning moeten getroosten om hulpkrachten met succes te mobiliseren ter bezwering van de revolutie.

Uit: 2000 jaar geschiedenis van Overijssel