Vollenhove – Vollenho – Fulnaho – Hoogte aan de Vlie

zo zag midden Nederland er uit rond 800 n ChrDe naam van de stad Vollenhove is door de eeuwen heen veranderd van Optencamp, de plaats ‘op de kamp’ oftewel op het veld bij het kasteel van de bisschop van Utrecht (1170), via Fullenho (1133), Volnho (1159, 1181) en Vollenho – afgeleid van Fulnaho, in 944 de naam van de omgeving – naar wat inmiddels ook al weer geruime tijd Vollenhove is. Overigens is het in de streektaal van Volnho naar Veno gegaan...

Hoogte

De naam Vollenhove komt als Fulnaho het eerst voor in de giftbrief uit 944 van de Duitse koning aan de bisschop van Utrecht. Over de betekenis kan niet veel met zekerheid worden gezegd. Naamkundigen zijn het er wel over eens dat de uitgang 'ho' staat voor hoogte en daarmee bepaalt de naam zich geografisch tot de keileemheuvel, door een gletsjer uit de voorlaatste ijstijdachtergelaten, waar nu aan de ene kant Vollenhove en aan de andere kant Sint Jansklooster ligt.

Ho wordt door taalkundige Harrie Scholtmeijer niet als een uitgang, maar als het tweede lid van een samenstelling getypeerd. Moeilijker is het eerste deel van de samenstelling, fulna.

De veronderstelling dat de naam Fulnaho een 'cultuurnaam is die wijst op een vroege bemoeienis met de streek' impliceert dat de naam net zo oud is, in ieder geval niet ouder, als de menselijke activiteit in die streek. Maar die menselijke activiteit (in de vorm van een kolonisatie) is niet voor 944 aanwijsbaar, en waarschijnlijk zelfs pas later dan 944 tot stand gekomen. De genoemd acte van 944 gaat immers over het jagen, en dat doe je niet in een gekoloniseerd gebied waar het wild, zeker herten, beren en zwijnen, als het goed is uit verdwenen is. Er is dan ook geen enkele aanwijzing dat de naam Fulnaho pas 944 of kort daarvoor is ontstaan. Integendeel, het gebruik van een Germaanse naam in een Latijnse tekst, en het ontbreken van enig toelichting, wijst erop dat het hier om een bekende, ingeburgerde en dus oude naam gaat. Veel ouder dan die jachtvergunning van 944.

kaart van het Frankische rijk rond 800, uit de Atlas van de Nederlandse GeschiedenisDie ouderdom geeft als probleem dat door de vele veranderingen die de naam in de loop van de tijden heeft ondergaan, de oorspronkelijke vorm, en daarmee ook de oorspronkelijke betekenis verloren is gegaan. Bij het kiezen van een naam zal men van herkenbare woorden of begrippen gebruik hebben gemaakt. Hulpmiddel bij de reconstructie is het taalkundige gegeven dat medeklinkers veel minder sterk veranderen dan klinkers.

kaart van de bewoonde wereld rond 950De eerste twee medeklinkers die we tegenkomen in Fulna- zijn de F en de L.
In de omgeving, de oostelijke Zuiderzeekust, waren enkele oude namen met F en L als eerste medeklinkers zijn: Flehite, de oude naam voor de streek rond Amersfoort. Het stedelijk museum van Amersfoort is naar dit Flehite genoemd. De tweede is Fela oua, de (g)ouw Fela. Deze naam, uit 793, is de oudst opgetekende vorm van Veluwe. Dit Fela oua komt ook voor als Fllua en Felehe. Al deze namen, Flehite, Fela oua, Filua en Felehe zijn verklaard met de naam van een oude, reeds lang verdwenen waterloop: Flehi of Fli. Dat was het water dat de Romeinen aanduidden met Flevum (naamvalsvorm: Flevo), en dat tegenwoordig meestal aangeduid wordt als de - soms het - Viie. Fela oua (Veluwe) is dan de gouw (een bestuursgebied) aan de Vlie.

De Vlie

Rond het begin van de jaartelling werd de Vlie gevormd door de noordelijke tak van de Rijn, die in het huidige IJsselmeergebied uitmondde. Ter hoogte van het zuidelijke IJsselmeergebied was het water zo breed, dat ook wel van een meer werd gesproken (Flevo lacus). Iets noordelijker zou dat water zich dan in twee armen opsplitsen, die dan een eiland omvatten dat ook Flevo werd genoemd; mogelijk heeft onder andere Urk op dat eiland gele¬gen, en ook nog een castellum (versterking), maar van dat laatste is nooit iets terug gevonden. Rond het begin van de jaartelling waren de veengronden in het noordelijke IJsselmeergebied nog grotendeels intact, en daar was de Vlie nog een rivier, die zich af en toe verbreedde tot een meer, maar uiteindelijk weer als rivier noordwaarts stroomde, naar het Waddengebied, waar het de Vliestroom vormde en ten oosten van Vlieland in de Noordzee stroomde. Vliestroom en Vlieland (in de 19de eeuw nog gespeld als Flieland) bewaren nog altijd de naam van de Vlie, die oorspronkelijk dus het hele IJsselmeergebied doorkruist heeft.

Belangrijk hier is vooral, dat er vanaf de huidige kop van Noord-Holland een groot aaneengesloten veengebied heeft gelegen, waardoor al het water uit het zuidelijke meer dat naar de Vliestroom ging, langs Vollenhove stroomde, en de keileembult zeer dicht naderde. Die keileembult is dus een hoogte aan de Vlie geweest.

FULNAHO is dus: Flie-Na-Ho =HOOGTE AAN DE VLIE (of Flevo)

Overblijvende taalkundige zaken worden door Scholtmeijer deskundig verklaard, zodat bovengenoemde verklaring staat als een huis.

Handel en visserij in de vroege middeleeuwen

benen naalden, in 1859 gevonden onder de fundamenten van het Oldehuis in Vollenhove. Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden.Vissers van de Frankenstam uit het zuiden verlegden kennelijk hun visgronden steeds verder naar het noorden. Na de sloop van het bisschoppelijke kasteel zijn vondsten gedaan in de ondergrond, die uiteindelijk in een Leidse verzameling zijn terechtgekomen, en waar met name enkele naalden opvallen. Die zijn, op een manier bekend van de Franken, gemaakt van graten van de steur, die in de monding van de IJssel en ook later nog tot de hoogte van Vollenhove veelvuldig voorkwam. Deze Frankische vissers zullen dus de eerste – mogelijk tijdelijke – bewoners van de hoogte bij de Vlie geweest zijn. Die – voor hen veilige – hoogte stak ver uit boven het omringende moeras, zal dus ook een baken geweest zijn.
Dat er al eerder vissers in het gebied waren, werd aangetoond door een boomkano van 2300 jaar oud die werd gevonden in het Voorsterbos, hemelsbreed een kilometer van de huidige Voorst (verbastering van ‘foreest’, het woud waarin werd gejaagd door de bisschop en zijn gevolg) – die vroeger veel verder dan nu als kaap uitstak in het moerassige laagland.

Ook de scheepvaart kwam in de vroege middeleeuwen op gang, via de Vlie vanuit Dorestad naar wat nu de Scandinavische landen zijn. Pas later, o.a. na de invallen van de Noormannen waarbij Dorestad verwoest werd, verplaatste de handel zich – mede door opkomst van de Hanzesteden langs de IJssel – naar het oosten, maar nog steeds via de ‘oude’ Vlie. bij de monding, op Vlieland, stond een baken van Kampen.

Voor de bisschop van Utrecht, een edelman met adellijk gevolg om zich te beschermen, was de tocht over het water vrijwel voltooid als men de ‘hoogte’ zag naderen. Daar was het jachtgebied, aan de rand sloeg hij zijn kamp op.

Flevo oud en nieuw

Flevo is de verbogen vorm van Flevum, de naam die de Romeinen gebruikten voor de Vlie. Als we de literatuur erop na slaan, dan zien we dat de onverbogen vorm Flevum vaak voor de rivier wordt gebruikt, terwijl het meer in de zuidelijke kom van het IJsselmeergebied met Flevo wordt aangeduid (wellicht vanuit de gedachte: het meer IN/UIT/LANGS de Flevum). Dit Flevo heeft zijn naam gegeven aan de polders die in deze zuidelijke kom zijn aangelegd, en in 1986 ook aan de provincie waar naast de beide Flevopolders ook de Noordoostpolder en Urk deel van uitmaken.

Bronnen:  artikel in Kondschap, maart 2011, van dr. Harrie Scholtmeijer, Emmeloord, docent Nederlands aan de Hogeschool Utrecht.  Zie ook http://www.wulfila.be/tw/query/?find=Vollenhove&cat=1