Torenuurwerk

Vollenhove heeft vanaf plm. 1480 ook een toren, gebouwd naast de nieuwe St. Nicolaaskerk maar daar niet mee verbonden. De toren werd gebouwd aan de Bovenplaats, niet ver van de zee en vermoedelijk ook naast het stadhuis. In 1621 werd een nieuw stadhuis gebouwd dat er nu nog staat en dienst doet als restaurant.

In 1572 en 1581 heeft Vollenhove te lijden onder het geweld van ‘de Opstand’, een periode die we nu kennen als de Tachtigjarige Oorlog. Vollenhove was tot kort daarvoor het bestuurscentrum van de stadhouder van de noordelijke Nederlanden, zoals Den Haag dat was voor de westelijke Nederlanden. In 1568 moest Jean de Ligne, graaf van Aremberg, voor zijn ‘baas’ Alva, de legeraanvoerder van koning Philips II, met zijn troepen uitrukken naar het noorden waar hij – nota bene bij zijn eigen Wedderborg – slag moest leveren tegen de invallers vanuit Duitsland onder leiding van Adolf van Nassau. Van Aremberg sneuvelt en laat in Vollenhove een weduwe met tien kinderen achter. Zij verlaat daarop Vollenhove en keert terug naar Zevenbergen.
De Opstand gaat door en kent in 1572 een ommekeer voor de ‘Staatsen’ in hun strijd tegen ‘de Spanjaarden’. In april nemen de Watergeuzen Den Briel in. De Watergeuzen waren opstandelingen die met schepen, in eerste instantie vooral vanuit Emden, aanvallen deden op kustplaatsen. Vergelijk het met de latere mariniers – maar dat waren reguliere troepen. Het was vaak een ‘raid’ waarbij de overvallers snel toesloegen, buit verzamelden en er weer snel vandoor gingen. Dat dezen ze ook in 1572 in Vollenhove, waarbij naast kerkschatten ook een pastoor en zijn kapelaan werden meegenomen, die bij Marken overboord werden gezet. Het was een wrede tijd.

In 1581 lag Vollenhove aan het front van de strijd, die zich toen richtte op de stad Steenwijk. Ondanks een eerdere overeenkomst, in Kampen gesloten, tussen Renneberg (noordoost) en Willem van Oranje (zuidwest) besloot de eerste zijn belofte niet na te komen en bezette Steenwijk. De Engelse legeroverste John Norreys trok daarop met zijn troepen vanaf Zwartsluis via het Sint Jansklooster – dat in de strijd werd verwoest – richting Steenwijk, langs de schans in de Veneweg (‘redoute’, later verbasterd tot Ronduite). Admiraal Diederik Sonoy landde in Vollenhove, verwoestte de muren van het Oldehuis en van de Toutenburg en trok naar Blokzijl waar hij een schans aanlegde ter verdediging van de haven en sluis. 
Mogelijk heeft de inname van Vollenhove door de Watergeuzen onder aanvoering van Diederik Sonoy in 1581 schade toegebracht aan de St. Nicolaaskerk, want vier jaar later wordt een acte opgemaakt, waarbij het kerspel en de stad Vollenhove erkennen schuldig te zijn aan Ricolt Derxen 125 gulden, geleend voor herstellingen aan de kerk (oud-archief, hoofdstuk kerkelijke zaken, nr. 310). Rijkholt Dirkszoon was schepen van de Stad Vollenhove, sinds 1547 burger.

Bij de terugtocht naar o.a. Medemblik is weer oorlogsbuit meegenomen, zo blijkt later uit o.a. onderhandelingen van Schokkers die verhaal komen halen over het roven van hun kerkklok. Ze krijgen hem niet terug want die hangt inmiddels in het kerkje van Lambertschaag, maar ze krijgen wel een vergoeding. In dat zelfde kerkje, gebouwd tussen 1490 en 1500, komt een torenuurwerk uit Vollenhove terecht. Veel meer dan dat het in 1588 is geplaatst en dat het uit Vollenhove komt is er ook niet bekend. Het kerkje is inmiddels niet meer als zodanig in gebruik.
Het torenuurwerk is gerestaureerd in de periode 2000-2003 door de Stichting tot Behoud van het Torenuurwerk. Dit is het enige onafhankelijke kennis-, informatie- en documentatiecentrum van mechanische torenuurwerken in Nederland. Het is in 1980 opgericht om zoveel mogelijk historische mechanische uurwerken voor de openbare tijdaanwijzing, in het vervolg kortweg torenuurwerken genoemd, voor de Nederlandse samenleving te behouden. 
In het uitvoerige en van foto’s voorziene verslag dat van de restauratie is gemaakt komt ook een datering voor. Het uurwerk wordt gedateerd rond 1480, maar is mogelijk nog ouder. Tijdens de restauratie viel het op dat het ijzer van het onder- en bovenraam van veel mindere kwaliteit is dan dat van het torenuurwerk van Winkel – dat ook door de stichting was gerestaureerd - dat gedateerd wordt rond 1420.

Het uurwerk van Lambertschaag slaat de uren op een luidklok die in 1495 is gegoten door Gerardus van Wou. Het opschrift op de klok luidt: “JHESUS MARIA JOHANNES *
GERHARDUS DE WOU ME FECIT * ANNO DOMINI MCCCCXCV”. Dit is de ‘Schokker’ klok. In 1906 is het uurwerk mogelijk gerepareerd. Wat er toen aan het uurwerk is gedaan is niet bekend. Bij naspeuringen in het gemeentearchief van Midwoud blijkt dat de Amsterdamse fabriek van torenuurwerken, carillons en raderwerken, J.H. Addicks en Zoon, een offerte heeft opgesteld voor het leveren van een elektrisch torenuurwerk met slagwerk en een klokluidinrichting voor het kerkje van Lambertschaag. Addicks schrijft in zijn offerte: “Naar aanleiding van het schrijven van de heer Fleddérus, hebben wij het torenuurwerk in Uw gemeente onderzocht. Het uurwerk is zeer oud en wij kunnen slechts aanraden een nieuw electrisch torenuurwerk aan te schaffen.” Gelukkig is dat niet gebeurd!

De klokkentoren in Vollenhove

Rond dezelfde tijd als het maken van het torenuurwerk is ook de bouw van de toren bij de St. Nicolaaskerk in Vollenhove voltooid. Een ondersteuning voor de aanname, dat het hier om het torenuurwerk van deze klokkentoren gaat.
De toren heeft in de tegenwoordige tijd geen uurwerk meer, wel hangt er nog één klok. Er is echter plaats voor drie klokken, en dat geeft al aan dat het duiden van de tijd hier vroeger van veel meer belang was.

Omdat de toren niet met de kerk is verbonden (het voormalige stadhuis uit 1621 is er tegenaan gebouwd) en een beperkte hoogte heeft, doet hij een beetje denken aan een klokkenhuis zoals op het Groningse platteland dikwijls wordt aangetroffen.

Omstreeks 1511 wordt voor de toren van Vollenhove een zwaar driegelui aangeschaft. Leverancier is Geert van Wou. Hiervan zijn twee klokken bewaard gebleven: één met een algemeen opschrift uit 1509, en één met een besteld opschrift uit 1511 (de Nicolaasklok). De derde en zwaarste heeft men in 1823 noodgedwongen moeten verkopen om de O.L. Vrouwetoren van een nieuwe bovenbouw te kunnen voorzien. Van Wou zal de klok van 1509 als uitgangspunt hebben genomen voor het driegelui. Deze klok heeft op op zeker moment een nieuwe plaats in de toren van de Mariakerk gekregen. De Nicolaasklok, de enige die nog in de Nicolaastoren hangt, heeft als opschrift: "sanctus . nicolaus (= heilige Nicolaas) . is . min . naem . min . ghelut . sy . gade . bequaem . gherhardu .de . wou . me . fecit . anno . domini .m.ccccc+xi" (vrij vertaald: Sint Nicolaas is mijn naam, mijn geluid is zo mooi dankzij Gerard van Wou die me gemaakt heeft in 1511). Deze tekst staat tussen een bovenrand van staande en een onderrand van hangende lelies. Onder de bovenrand en boven de onderrand is een reeks van pareltjes aangebracht die niet op de klok van 1482 voorkwamen. De diameter van de Nicolaasklok bedraagt 121,8 cm en haar toonhoogte moet zijn f1. Omdat zij gescheurd was, is zij na 1945 door de firma Zimmer uit Amsterdam gelast. Uit een lijst van door deze firma gelaste klokken blijkt, dat zij 940 kg weegt. Haar registratienummer bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg te Zeist is 8-102C. Deze huidige Nicolaasklok is waarschijnlijk de kleinste van de drie klokken uit deze toren, ze is destijds in tegenstelling tot de grote klok uit de Mariakerk gegoten en gewijd aan de patroonheilige van de kerk.
De derde klok, waarvan de patroonheilige onbekend is, is in 1627 gescheurd en vervangen. 
In 1671 is er sprake van het verhogen der begrafenisrechten, die betaald dienen te worden voor het luiden met de grote, de tweede of middelste en de kleine klok. Hieruit kan men opmaken, dat het driegelui toen nog geheel functioneerde.

De grote klokkenstoel in deze klokkentoren kent nu dus twee lege plaatsen. Tijdens een bezoek van Jan Kuipers, adviseur voor luidklokken en torenuurwerken te Steenwijk, bleek dat de van Wou klok alweer gescheurd was.  De kerkrentmeesters kregen het dringende advies de klok niet meer te luiden omdat dan de schade alleen maar groter wordt. Inmiddels is de scheur (provisorisch) gerepareerd en een nieuw luidmechaniek aangebracht.

Daarnaast was er in Vollenhove nog een vierde klok. In 1482 goot de beroemde klokkengieter Geert 1 van Wou in Kampen een klok, vermoedelijk uit voorraad geleverd, want de kerkmeesters hebben er geen bestelling voor gedaan. In die tijd gebeurde het dikwijls, dat klokkengieters klokken van allerlei grootte voorradig hadden, zodat gegadigden deze dadelijk konden meenemen. Tussen een bovenrand van staande en een onderrand van hangende lelies stond vermeld in Gotische letters: Jezus Maria, Johannes. Geert van Wou heeft mij in het jaar des Heren 1482 vervaardigd. 
Deze klok komt in 1823 ook terecht in de toren van de Mariakerk, naast de klok uit 1509. Onduidelijk is echter waar deze klok vandaan komt.
De volgende mogelijkheden worden genoemd door De Jong <4>:
- uit het torentje van het oude stadhuis (zie kaart Jacob van Deventer, 1560)
- uit het torentje van het St. Antoniusgasthuis (idem). Maar vermoedelijk is die klok in Steenwijk terecht gekomen.
- deed de klok dienst bij de aanlegplaats van beurtschepen (steiger bij de vismarkt)?
Tenslotte zou het ook kunnen zijn dat die vierde klok de voorloper was van de genoemde drie, en tussentijds elders in de stad dienst heeft gedaan.

Dan het torenuurwerk. Mijn eerste gedachte voor de plaats van het in 1581 geroofde torenuurwerk was ook in het oude stadhuis, want ik kon me aan de gevel van de – toch redelijk authentieke – toren geen wijzerplaten voorstellen. 
Toch was er wel degelijk een uurwerk, met wijzerplaten, zoals een aantal schetsen uit 1729 en 1786 uitwijzen.

Verhuizing

In 1823 wordt de lage spits van de toren van de Mariakerk verwijderd en vervangen door een stenen bovenbouw, bekroond door een open koepeltje van hout. Boven de galmgaten werden tegen het midden der gevels wijzerplaten aangebracht.
In die tijd was een slagklok met wijzerplaten een onmisbaar element in de samenleving. De toren van de St. Nicolaaskerk is laag en staat bovendien in het westelijk stadsdeel. De Mariakerk en toren liggen centraal. Door deze toren te verhogen en van wijzerplaten te voorzien bood men iedereen de mogelijkheid te zien, hoe laat het is. Daarbij komt dat de notabelen dan vooral in het midden van de Kerkstraat wonen en de adel het inmiddels niet meer voor het zeggen heeft.

Uit het stadsarchief blijkt, dat het stadsbestuur op 8 oktober 1822 vergaderd heeft over het herstel van het uurwerk in de toren van de Mariakerk (één van de klokken van deze toren moet dus in vroeger tijd de heel- en halfuurslag hebben aangegeven). Op 27 november 1822 wordt timmerman Seidel opgedragen een bestek te maken voor de verhoging. Voorgesteld wordt om ter dekking van de kosten één van de klokken uit de toren van de St. Nicolaaskerk te verkopen. Dat bracht 1600 gulden op. Na het gereedkomen in 1823 is het uurwerk uit de toren van de St. Nicolaaskerk in dit nieuwe torengedeelte van de Mariakerk geplaatst, het overbrengen kostte f 40. Toen is ook de klok uit 1482 van Geert van Wou uit de toren van de St. Nicolaaskerk naar die van de Mariakerk overgebracht, waar zij in de koepel werd opgehangen en de functie van luidklok kreeg.

De toren sindsdien

De toren van de St. Nicolaaskerk bleef tamelijk ‘kaal’ achter. De beschrijving in het Monumentenregister luidt: “Toren Grote Kerk. Vroeger vrijstaande toren van de Grote Kerk, bestaande uit drie geledingen met spitsbogige nissen, onderling gescheiden door zandstenen waterlijsten. Begin 16e eeuw. Klokkenstoel met een klok van G. van Wou, 1511, diam. 121,8 cm. Mechanisch torenuurwerk, circa 1918, later voorzien van electrische opwinding.”
De vraag luidt, of er later alsnog (weer) een wijzerplaat aan het torenuurwerk bevestigd is geweest. Een foto uit 1898, en een oude wijzerplaat die ‘ergens’ bewaard is gebleven, laten hiertoe wat te onderzoeken over.

Het onderste deel van de toren werd in de 19e en begin 20e eeuw gebruikt als 'cachot', het 'hok' cq de plek om (tijdelijk) personen in bewaring te stellen, die door de veldwachter voor een (vermeend) vergrijp waren opgepakt. Het raam aan de zijkant is nog steeds van tralies voorzien.

Het middengedeelte, de verdieping, werd gebruikt door de stad Vollenhove, en later nog door de gemeente Vollenhove, om belangrijke documenten op te bergen. Het was er wel koel, maar of het er droog was? Deze kluis was en is nog steeds te bereiken via een paar stenen treden en een deur vanuit de bovenzaal van het raadhuis, nu restaurant Seidel. Het is nu de 'nooduitgang' voor gebruikers van de bovenzaal, die via een trap in de toren en de torendeur kunnen ontsnappen. Vanuit de 'kluis' leidt een smalle, rechte open trap naar het luik in de klokkenzolder. Deze is onder beheer van de koster van de Grote Kerk.

Vanaf de klokkenzolder kan men met een laddertje tussen de klokkenstoelen naar het kleine plateau achter het groene luikje, dat men van buiten aan de bovenkant van de toren ziet. Het luikje is met een draaiboom in de sponning geklemd, dus niet voorzien van scharnieren. Vanuit het luik heeft men een fraai uitzicht op het plein.

Klokgelui

Klokken werden en worden geluid op bijzondere momenten. Het uurwerk daarentegen zorgde voor het waarschuwen op vaste tijdstippen. In Vollenhove gebeurt dat nog steeds. De meeste mensen noemen het de breiklok, de officiële naam is papklok.
De papklok was in vroeger tijden de klok die men 's avonds luidde om het sluiten van de stadspoort aan te kondigen. Dit was voor de mensen die op het land werkten het teken dat het werk erop zat. Zodra de papklok luidde, ging men naar huis om een bord warme pap (of brei) te eten, vandaar de naam. In diverse plaatsen wordt de papklok uit cultuur-historisch besef nog steeds geluid, zoals in Zwartsluis, Putten, Doesburg (het klokgelui staat zelfs op YouTube), Etten-Leur en Culemborg (dat in de carnavalstijd zelfs Papklokkendam heet). Niet tot ieders tevredenheid overigens – een vergelijking met de geluidsoverlast (voor sommigen) van moskeeën dringt zich op. ’s Lands wijs, ’s lands eer. Hier luidt de breiklok om 8 uur, 12 uur en ’s avonds 9 uur, één minuut (kort geleden ingekort vanwege klachten over geluidsoverlast…), direct na het slaan van het betreffende uur. Eigenlijk is het alleen ’s avonds de papklok. De andere tijden golden voor het Angelus, een gebed dat van oudsher driemaal daags gebeden werd: om zes uur 's morgens, twaalf uur 's middags en zes uur 's avonds. Het gebed werd aangekondigd door het luiden van een kleine klok, het angelusklokje.

Bronnen:

1. Luidklokken van Schokland, Bruno Klappe, Het Schokker Erf nr. 69, september 2008
2. De geuzen en de Schokker kerkklok uit Lambertschaag, door Aaldert Pol, in De Vriendenkring,Cultuurhistorisch tijdschrift voor Flevoland, 50e jaargang, zomer 2010, pag.12 e.v. 
3. De restauratie van het torenuurwerk van het Groene Kerkje te Lambertschaag . Een verslag van de restauratie van een uniek torenuurwerk. Samengesteld door L.J.M. Heijst. Uitgave van de Stichting tot Behoud van het Torenuurwerk, verschenen ter gelegenheid van de voltooide restauratie en hernieuwde ingebruikstelling van het torenuurwerk op 13 september 2003, 19 bladzijden. 
4. Klokken in Vollenhove, door Rinus de Jong (isbn 90-74834-03-5, 1994) [ism Jos Kuipers]
5. http://nl.wikipedia.org/wiki/Papklok