Het St. Anthoniegasthuis heeft globaal gelegen achter de plek waar nu het appartementencomplex 'De Steinen Vuyst' staat. Op 1 mei 1567 werd recht tegenover het St. Anthoniegasthuis in de Oude Straat het Weeshuis gesticht door pastoor Johan Vuist, naar wie dit appartementencomplex werd genoemd. De Oude Straat heette later de Visserstraat. Het fungeerde van plm. de 15e eeuw tot aan het einde van de 18e eeuw als wat men nu een verzorgingstehuis zou noemen.

Het proveniershuis van Sint Anthonius wordt voor het eerst in 1445 genoemd. Zo'n proveniershuis was een instelling waar bejaarde lieden zich inkochten voor levenslange verzorging.
In tal van steden was vroeger een St. Anthoniegilde, dat zich met een goed deel der armenzorg belastte. Ook te Vollenhove was een dergelijk gilde. De plichten van deze St. Anthoniegildebroeders bestonden voornamelijk in het werven van nieuwe broeders tot instandhouding en uitbreiding van hun gasthuis en die zich willen richten op het geven van hulp en troost aan arme, zieke en oude mensen. De oprichting te Vollenhove heeft waarschijnlijk reeds plaats gehad toen de stad bloeide door het bezit van de bisschoppelijke zetel. In het oudarchief van de stad bevindt zich de 'blafferd', de lijst van renten, tienden en andere rechten van het St. Anthoniegasthuis, waarin de rogge-, boter- en landpacht geboekt zijn. Het bevat een lijst van inkomsten ten behoeve van de geestelijke, met de bediening van het gasthuis belast en die als officiant (bezoldigd priester) het altaar in de H. Nicolaaskerk van de broederschap van St. Anthonius bediende. Daarna volgen aantekeningen van inkomsten uit latere tijd.

Achter deze volgen in 1545 opnieuw opgestelde bepalingen voor dit gasthuis met het opschrift: "Ordonnantie van dat armenhuys bynnen Vollenhoe, genoemet St. Anthoniushuys". Het eerste hoofdstuk handelt over de verkiezing van de gildemeesters, het ontvangen van de inkomsten en het afleggen van rekening daarvan door de gildemeester, die daartoe werd aangewezen. Het tweede hoofdstuk betreft de opname van mensen in het gasthuis. Het derde hoofdstuk over de benoeming van een moeder in het huis en hoe die en de proveniers (kostgangers) zich hebben te gedragen.
Behalve de gildemeesters waren er een aantal gildebroeders die jaarlijks op St. Anthoniusdag (17 januari) in het gilde werden opgenomen. Zij die als gildebroeders werden aangenomen zetten hun handtekeningen in dit boek, waarin vanaf 1545 tot 1740 niet minder dan 460 handtekeningen voorkomen, bijna alle van bekende Overijsselse adellijke geslachten. Uit de bijvoegingen blijkt dat zij belangrijke betrekkingen in het land bekleedden.
In de Nederlandse Spectator staan daar enige aanhalingen uit, met bijvoegingen in het Latijn gesteld:
- 1621 Joan van Raesfelt, overleden als drost van Twenthe; 
- 1640 Ascanius Pauts: deze overleed - sneuvelde - te Candia = Kreta als kapitein, toen hij in het kasteel van de Venetiërs enige jaren de Republiek Venetië tegen de barbaarse Turkenstammen had gediend;
- 1648 R. Grenville. Men zegt dat deze ridder in de tijd van de burgeroorlog in Engeland door de tegenstanders onder het Parlement gevangen is genomen en op ongelukkige wijze aan de galg is gebracht.

Leden van vooraanstaande families uit heel Overijssel traden toe tot het gilde. Een bekende broeder sinds 1650 was Don Emanuel (1600, Delft -1666, Schagen), prins van Portugal, kleinzoon (via moeder) van stadhouder Willem van Oranje, die tijdelijk op havezate de Oldenhof woonde. Ook allerlei Vollenhoofse geslachten tekenden hun namen in deze 'blafferd' (register), zoals Bannier, van den Boetselaer, HagenSloet, Uterwijk, ter Berchorst, van Vollenhove.

Jan Freryckx (of Vrerycks) Engelenburg wordt in 1603 genoemd, tegelijk met zijn zuster de weduwe Anna Pouwels, als schenkers van een losrente ten bate van het Sint Antoniegasthuis te Vollenhove. Zijn achterkleinzoon Lucas Engelenburg zou later bekendheid verwerven als burgemeester van Vollenhove.

Op St. Anthoniusdag, 17 januari, vergaderde het gilde en werden er drie nieuwe gildemeesters gekozen. Daags daarna had de verkiezing van de raad van het gilde plaats dat uit zeven leden en twee focani (vuurmakers) bestond. Bij de gildemeesters berustte de uitvoerende macht en het dagelijks beheer. Belangrijke besluiten zoals de opname van de proveniers werden door de raad en de gildemeesters samen genomen.
De proveniers of kostgangers werden voor een mindere of hogere som toegelaten, overeenkomstig hun leeftijd. Elke nieuweling moest behalve deze som ook nog een ton bier voor de medeproveniers geven en een ton bier en een anker wijn voor de gildebroeders. Het ging daarbij om Haarlemmer bier. Als de gildebroeders op St. Anthoniusdag en daags daarna vergaderd hadden en de zaken afgedaan waren, werd er een maaltijd gehouden om de broederlijke gezindheid en eendracht in stand te houden. Onder een stevige dronk zullen dan ook staatszaken besproken zijn. In de genoemde Nederlandse Spectator staan twee drinkliedjes uit de 17e eeuw, uit het gildeboek overgenomen. 

In het resolutieboek van Gildemeesters en raden van dit gasthuis staat iets over de interne aangelegenheden van het gasthuis.
Daags na St. Anthoniedag (dus 18 januari) leverde de afgaande gildemeester het huis met de goederen over aan zijn opvolger. Aan het Gasthuis was tevens een chirurgijn verbonden.
Er was ook kaf onder de proveniers. Gildemeesters en Raden besloten op 4 april 1643, omdat enige proveniers het eten meenamen naar hun kamers of naar buiten, dat niemand enige kost met zich van de tafel mocht nemen maar dit aan de tafel moest gebruiken. De moeder werd op 23 november 1661 gelast dat zo lang men melk of brij eet geen boter op tafel te zetten, waar hevig tegen werd gesputterd. In 1682 was het weer mis. Toen werd besloten dat de moer voortaan geen boter op de tafel zou zetten voordat de andere spijzen genuttigd waren. Verder ging het over meenemen van spek, vlees enz. Op 28 januari 1707 waren er weer dergelijke klachten.

Op 25 augustus 1645 besloot de Volle Stoel met medeweten van de Gildemeesters een perceel land in de Beulake en 8 gieden van de Geestelijke goederen en één gie daarnaast te verkopen. Een gie of ghee is 1/6 morgen land. 
In 1647 werd een moeder benoemd tegen een jaarlijkse verdienste van 58 caroli gulden met doek en schoenen, benevens haar recht op de inkomende proveniers, zoals haar voorgangsters hadden ontvangen. Omdat zij van Zwolle kwam kreeg zij voor het opbreken (verhuizen) een dubbele godspenning tot 6 caroli gulden en 6 stuivers en wanneer haar kinderen haar komen bezoeken mogen ze met haar een dag of twee in het Gasthuis eten.
Rutger van den Boetselaer tot Toutenburg vereerde uit bijzonderlijke genegenheid op zijn sterfbed aan het St. Anthoniegasthuis 50 caroli gulden. Dit bedrag is op 8 januari 1653 door zijn echtgenote na zijn overlijden betaald.
In 1654 werd besloten voortaan geen proveniers op te nemen, of ze moesten voor het gilde een ton bier betalen met de onkosten (dus exclusief de accijns).
Een goede administratie en toezicht is voor een dergelijk huis een eerste vereiste en daar haperde het wel eens aan. De Volle Stoel (drost, gezamelijke ambtsjonkers en magistraat) besloot op 15 april 1652 de Borgemeester Pieter van Coesfelt als provisor van het Gasthuis aan te stellen en hem uit de Geestelijke Goederen jaarlijks op St. Anthony inplaats van 40 de som van 60 caroli gulden te betalen, gedurende 6 jaren of zo lang hij de bediening vervulde. In 1660 praatte men er over dit tractement af te schaffen of te verminderen en in 1665 bracht men het terug op de oude voet van 31 goudgulden.
De Heer Volkier Sloet heeft als gekozen gildemeester van dat jaar op 18 januari 1663 gesubstitueerd Henricus ab Utrecht om toezicht te houden op het Gasthuis en te zorgen dat alles ordentelijk toegaat. 

In 1661 werd de knecht Hendrik weer aangesteld met een verdienste van 50 caroli gulden, 3 gulden voor een el klein doek en 5 el grof doek, voor 2 broeken en dan nog 3 hemden en 3 paar schoenen op de voorwaarde dat, mocht hij weer ziek worden, hij voor een ander in zijn plaats zorgt om te gaan melken, maaien, hooien enz. Een meid werd aangenomen voor 27 gulden, 10 stuivers en 1 ducaton als godspenning. 
In 1661 werd tot provenier aangenomen mr. Gerryt Jansen, timmerman. Bij intrede moest hij f 600 betalen en hetgeen dagelijks van "pyckadiliën" van 't huis mocht voorvallen en reddeloos worden, herstellen en onderhouden; materialen of grote herstellingen niet.

"Den dach Anthonie 1675" (dus 17 januari) wendden de beide predikanten van de stad zich met het verzoek tot het gilde om het beeld (hoogstwaarschijnlijk een Anthoniusbeeld) uit het proveniershuis weg te halen en de gildemeesters beloofden aan hun verlangen te voldoen. Jammer genoeg blijkt niet of dit beeld in de gevel van het huis zat.

De weduwe van Evert van Echten stelt uit financiële nood op 5 mei 1676 de havezate Oldruitenborgh als onderpand voor geleend geld aan het St. Anthoniegasthuis te Vollenhove.

In 1693 woont in het gasthuis Franscintien (Francijntje) Claes van Amsterdam, oud 62 jaar. Hij lijkt het woord 'heks' in Vollenhove geïntroduceerd te hebben (zie Kondschap, september 1989).

In 1695 staat vermeld dat de schultus Pieter Barnharts overdroeg aan de heer Boldewijn Sloet tot Lindenhorst 8 melk- en 2 gustekoeien, 6 jongbeesten, 2 kalveren, een grote klamp hooi, een broute molt, 3¼ deel boter, van 4 varkens spek en schinken, vlees en worsten aan de balken, 40 groene kazen, de kuipen redelijk met vlees, één zak gruttemeel en één met gort, turf en hout in de schuur. Genoemd worden 21 proveniers, een moeder, een maagd en een knecht. 

Op 20 januari 1699 werd een instructie voor de administrateur vastgesteld. Hij moest een bekwaam en onbesproken persoon zijn van de Gereformeerde (protestantse) godsdienst. Voor zijn administratie moest hij twee suffisante borgen stellen. De dagelijkse zaken mocht hij alleen afhandelen, maar de zaken van enig gewicht met de Gildemeester voor dat jaar. Hij zou alle revenuen, pachten, interessen, het gasthuis betreffende, ontvangen en moest daarvan rekening doen. Had hij moeilijkheden, dan zou de Gildemeester hem helpen. Hij mocht niets leveren aan het Gasthuis voor zijn privé. Jaarlijks op Jacobi moest hij rekening en reliqua doen van zijn administratie op straffe van 6 caroli gulden Deze rekening in te leveren in dubbel en met bewijzen gestaafd en zou "afgehoord" worden zonder dat hij er bij was. Zijn jaarlijks tractement zou 60 caroli gulden zijn. De Gildemeester zou de mest of naar zijn keuze een vierendeel boter genieten volgens besluit van de gildebroeders van 18 januari 1699. In het laatste geval zou de mest ten voordele van het Gasthuis worden verkocht.

De toeloop om in het Gasthuis opgenomen te worden, ook van elders (Amsterdam, Enkhuizen, Zwolle, Zwartsluis) was zo groot dat het bestuur van het Gasthuis besloot ten dele om de aanvragers te helpen en ten dele om die aan zich te verbinden door hen alvast de inlegsom te laten betalen en een regeling met hen te treffen. 
In 1699 werd iemand aangenomen op de gewone voorwaarden. Maar omdat er geen plaats vrij was moest hij zich van een plaats buiten voorzien op zijn eigen kosten en zijn beurt afwachten. Hij mocht verder hetzelfde als de anderen genieten voor één stuiver wittebrood per week en jaarlijks 21 voer turf en 25 takkebossen, zo lang hij buiten het huis was.

Gildenmeesters en Raden van het St. Anthonie Gasthuis besloten op dag Anthony 1702 voortaan de stemming over het gilde tot menage van kosten op de tweede Kerstdag na de tweede predikatie op het Stadhuis te houden. Overigens waren dit vaak bijbaantjes van de burgemeesters. 

Bij de verkoop van Plattenburg in 1705 aan Jan Sloet bleek het pand bezwaard met een jaarlijkse uitgang aan het St. Anthoniusgasthuis van 12 stuivers en 8 penningen.

Meestal waren er om en nabij de 20 proveniers in het Gasthuis. Maar in 1705 bijvoorbeeld waren er 38 proveniers plus de moeder van het gasthuis, de voorraad etenswaren was overdadiger en gevarieerder. In 1711 waren het er 54. Men zette echter niet de tering naar de nering en men begon geld te lenen zoals in 1702, 1707 en 1711. Kort daarna werd besloten de vaste goederen te verkopen om de zaken gaande te houden. Vele aangeboden landerijen werden niet eens ingezet. De tijd was er niet naar. 

Gildenmeesters en Raden van het St. Anthonie Gasthuis besloten op 18 september 1711 de jaarlijkse uitgang te verkopen van 10 caroli gulden, 3 stuivers en 8 penningen tegen 5%, liggende op 't Goor Donkeren, liggende tussen de stad en de Moespot van de weg tot aan de zee.
Sinds 1711 werden jaarlijks geen vuurmeesters meer verkozen, maar sinds 1730 weer wel onder de benaming stokebranden. 
In 1712 bestond het personeel uit: een moer, knecht, grote meid, aangesteld "zonder schoenen en doek" en een kleine meid. 

In 1714 werd de brouwketel uit het Gasthuis verkocht voor f 350 waarvoor de koper 35 tonnen 3 guldens bier moest leveren. De rest was voor het inlossen van een vordering van de koper voor geleverd bier aan het Gasthuis. Na de verkopingen bezat het Gasthuis nog de dijkweide op het Zand bij het Zeiltje, de Zwanekolken in het Leeuwterveld, de landerijen van Klosserserve, waaraan ten zuiden het Hondesteegje en ten noorden de Leeuwtersteeg. Hiervan kwam de halve pacht aan het Gasthuis. Verder boter en geldpachten op Wanneperveen en te Vollenhove en jaarlijks 33 gulden uit de kas van de Smalle Verdeling. 
Bij de verkoping op 19 februari 1714 van goederen van het St. Anthoniegasthuis was ook een uitgang van 8 schepel rogge en één van 5 caroli gulden en 12 stuivers uit de Vollenhoofse molen.
Bij de grote verkoping van goederen van het St. Anthoniegasthuis op 5 april 1714 werd niet geboden op een geldpacht van f 18 te betalen door Arent Berens, alias Spinner en de erfgenamen van Spook Derk uit de oude Latijnse school.
De proveniers gaven hun bezorgdheid te kennen over deze verkopen. In hun adres staat dat "met eenige verdichte praeties en blaauwe bloempies" onder elkaar deze bezorgdheid een weinig stilde. Hierop antwoordden de Gildemeesters en Raden met advies van de gemene gildebroeders op 17 februari 1715 dat door de slechte tijden enz. het huis al sinds lang niet heeft kunnen bestaan o.a. door het kostkopen voor nieuwe proveniers, waardoor uiteindelijk het huis door de weinige sterfte zo vol is geraakt. Men kon niet meer rondkomen, dus werd aan de proveniers beduid, dat zij er goed aan zouden doen tijdig een goed heenkomen te zoeken.
globale ligging St. Anthoniegasthuis, in 1832 kavel A139, veehouder IJspeert
In 1722 ontving de administrateur van het Gasthuis boven de vrije vertering op de maaltijd die op de dag van St. Anthonie werd gevierd tot wederopzeggens 16 caroli gulden. 

In 1734 werd de dijkweide waarvan de opbrengst vroeger door de Edelen van het Convent Clarenberg tot verlichting en onderhoud van de proveniers voor enige jaren aan dit Gasthuis was gegeven weer onder het Convent Clarenberg gebracht, nu alle proveniers op twee na zijn uitgestorven en de slechte staat van de Geestelijkheid dit vereist, met overname van de achterstallige pachten sinds Martini 1730.
Dit stuk land werd op 26 februari 1734 gekocht door de Landdrost van Isselmuden tot Swollingerkamp. 

In 1740 werd de oude exclusieve broederschap St. Antonius opgeheven. Op St. Anthoniedag 17 januari 1740 werd opgemerkt dat het Anthony Gasthuis zeer begon te vervallen en indien daar binnenkort niet wat aan gedaan werd was het te vrezen was dat dit "ten eenenmaal tot een puynhoop" zou vervallen. Een commissie werd benoemd om na te gaan of met weinig kosten van enige kamertjes in het gasthuis twee, drie of meer woningen zouden kunnen worden gemaakt. 

Op een lijst van stadszilver, opgemaakt 4 december 1787, komt onder meer voor een St. Anthoniusbeeld van het St. Anthoniegasthuis, zijnde een zeer oud fraai stenen beeld, van binnen hol, te gebruiken als beker. Onder om de voet, die de mond van de beker is, een zilveren rand zodat het niet kan staan of neergezet kan worden.  
Dit is het laatste dat in dit boek opgeschreven werd. 

Deze reusachtige aardewerken beker (zie foto linksboven) werd gebruikt bij de bijeenkomsten van de gildebroeders als 'uitdrinkbeker' bij het zingen van drinkliederen - tot hij leeg was. Na 1648 was het karakter van het gilde meer dat van een gezelligheidsvereniging! De beker bleef bewaard, en is te zien in het Stedelijk Museuam Zwolle.

In het midden van de 19e eeuw was een gedeelte van dat gasthuis nog intact. Daarin werd een boerenbedrijf uitgeoefend. Het gaat hier vermoedelijk over kavel A139 (kadaster 1832, oranje op de kaart hiernaast), van veehouder Jacobus IJspeert. (1754-1834). De straat daarlangs, uitkomend aan de haven, heet tot de dag van vandaag de Gasthuisstraat (vroeger Gasthuissteeg).
In het Centraal Bureau voor Genealogie in den Haag ligt een manuscript van G. Nilant Bannier over St. Anthony te Vollenhove uit 1862, een legaat van Jhr. van Beresteijn, waarin nog meer over dit gasthuis te lezen is.