Jan Arend baron de Vos van Steenwijk (1746, geboren op Nijerwal - 1813, overleden op de Oldenhof (1635)) was een zoon van Jan Arent Godert de Vos van Steenwijk en Geertruid Agnes van Isselmuden tot Rollecate. Hij studeerde rechten aan de Universiteit van Utrecht, waar hij in 1765 promoveerde. Na zijn studie werd hij vanwege het gewest Overijssel afgevaardigd in de kamer van de Vereenigde Oostindische Compagnie in Amsterdam. Daarna werd hij lid van de Raad van State en van de Admiraliteit te Amsterdam. Na de Bataafse Revolutie van 1795 werd hij lid van de Provinciale Staten en van de Gedeputeerde Staten van Overijssel. In 1796 werd hij namens Overijssel lid der Eerste Nationale Vergadering. In 1797 werd hij als gezant naar Parijs gezonden, vanwaar hij eind 1798 terugkeerde. Enige maanden later werd hij benoemd tot lid van het bestuur van het Departement van de Oude IJssel.
Na de Brits-Russische landing in 1799 werd hij gezant in Pruisen. In 1801 werd hij door het Staatsbewind aangesteld tot thesaurier-generaal van het Bataafs Gemenebest. In 1805 werd hij benoemd tot lid van de Staatsraad, wat hij ook bleef na de instelling van het Koninkrijk Holland. In 1807 werd hij benoemd tot landdrost van Gelderland, welke functie hij tot 1810 vervulde. Als zodanig was hij onder meer belast met het regelen van de grensscheiding met het groothertogdom Berg.
De Vos van Steenwijk was getrouwd met zijn volle nicht Coenradina Wilhelmina van Isselmuden tot Paaslo, dochter van Hendrik van Isselmuden tot Paaslo en Anna Elisabeth van Haersolte tot Staverden. Het echtpaar had acht kinderen.

Naast politicus was hij ook een voornaam lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, gezien zijn necrologie in de Handelingen der jaarlijksche vergadering van de maatschappij te Leyden, gehouden den 7 van Hooimaand 1813, zijnde de toespraak van de voorzitter, J.W. te Water:

Levensbericht

De Heer Jan Arend Baron de Vos van Steenwijk was, bij de oprigtinge en plegtige bevestiginge van deze Maatschappije in 't jaar 1766, een geacht Lid van dezelve, en onder de oudste nog overgeblevene Leden thans de vierde in rang na de Heeren Tollius , van Wijn en Tijdeman , die, gaat het naar onzen wensch, nog vele jaren in 't leven gespaard zullen worden, om ook aan dit Genootschap tot roem en luister te verstrekken.

De Heer de Vos van Steenwijk had het genoegen uit een aloud en hoogaanzienlijk geslagt gesproten te zijn, 't welke eeuwen lang in ons Vaderland bekend was, en vermaagschapt met de voornaamste adelijke stammen, waarvan het genoeg zal zijn te noemen Boetzelaer, van Borssele, Burmania, van der Does, Randwijk, Ripperda, Reede, van der Dussen, Sloet , Tuijl van Serooskerke, Isselmuden, om meer soortgelijke verbindtenissen te verzwijgen. Het is reeds in de veertiende eeuwe beschreven geweest in de Ridderschap van 't kwartier van Veluwe in Gelderland. Naderhand bevonden zich sommigen van hetzelve in Drenthe en Overijssel. Hendrik de Vos van Steenwijk onderteekende, den elfden van grasmaand 1580, wegens het Graafschap van Drenthe, de Unie van Utrecht, gelijk mede blijkt uit de oorspronglijke uitgave, te Haarlem in 't jaar 1778 op last van den Raad van State vervaardigd. Zijn Grootvader was eerst Lid der Ridderschap van Drenthe, daarna van Overijssel; in welk laatstgenoemde Gewest dit geslagt vooral gevestigd bleef. De overledene werd te Vollenhoven geboren den zesëntwintigsten van lentemaand des jaars 1746. Zijn vader was Jan Arend Godaard Baron de Vos van Steenwijk, Heer van Nijerwal, Oldenhof, Havixhorst, Hogenhof, Ambachtsheer van Serooskerke en Welland in Zeeland; beschreven in de Ridderschap van Overijssel; landdrost van Vollenhove; en wegens dat Gewest Afgevaardigde ter Vergaderinge van de Algemeene Staten. Zijn moeder was Vrouwe Geertruid Agnes Baronesse van Isselmuden tot de Rollecate.

Zulk eene afkomst was hem zonder twijfel tot groote eere, doch zekerlijk niet minder de edele zucht voor de letteroefeningen, aan welke hij zich van zijne jeugd aan toewijdde.
Na behoorlijk voorbereid te zijn, begaf hij zich naar de Hoogeschole te Utrecht, bleef aldaar den tijd van vijf jaren, en genoot toen het onderwijs zoo van den grooten Wesseling, als van andere Hoogleeraren, wier lessen in de Letteren, Wijsgeerte, het Natuurlijke Regt, het Romeinsche en algemeene Staats-Regt, hij met lust en nut hoorde. Dat niet zoo algemeen in dien tijd was, en in onze dagen nog minder gebruikelijk is, de adelijke jongeling 
maakte een naarstig gebruik der lessen van den vermaarden Bonnet over de Godgeleerdheid. Den Akademischen loop ten einde gebragt hebbende, werd hij in 't jaar 1765 tot Doctor in de Regten bevorderd, en schreef bij deze gelegenheid eene Dissertatio, continens quaestiones, partim ex iure naturae, partim ex civili Romano petitas. Hier bleek, welke vruchten hij uit de gehoorde lessen verzameld had. Dit werd niet minder kenbaar, toen hij, tegen de gewoonte der meeste Edelen in ons Vaderland, zich in de pleitzalen liet hooren, om het regt der onschuldigen te verdedigen. In dit loflijk werk volhardde hij tot den tijd toe, wanneer hij tot de behartiginge van 's Lands zaken geroepen werd.

Sedert het jaar 1770 was en bleef hij een' geruimen tijd beschreven in de Ridderschap van Overijssel; en werd hij, wegens dat Gewest, eerst afgevaardigd in de Oostindische Compagnie ter Kamer van Amsterdam, naderhand in den Raad van State, vervolgens in de Admiraliteit te Amsterdam. Na de veranderinge van zaken in den aanvang des jaars 1795, werd hij een Lid der Representanten van Overijssel, en wegens dezelven Lid van de Gedeputeerde Staten; in 't volgende jaar was hij Lid der eerste Nationale Vergaderinge; in 1797 is hij door het Uitvoerend Bewind in gezantschap naar Parijs gezonden, van waar hij in 't begin van louwmaand 1798 wederkeerde; eenige maanden later werd hij benoemd tot Lid van het Departementaal Bestuur van den Ouden IJssel; ten tijde der landinge van de Engelschen in 1799 werd hij afgevaardigd naar Zijne Majesteit van Pruissen te Berlijn; twee jaren daarna is hij door het Staatsbewind aangesteld tot Thesaurier Generaal der Bataafsche Republiek; bij het veranderen van 't bestier der geldmiddelen, is hij door den Heere Raadpensionaris benoemd tot Lid van den Staatsraad; na de komste des Konings van Holland bleef hij Staatsraad in gewonen dienst, tot dat hij in wintermaand 1807 benoemd werd tot Landdrost van Gelderland; dezen post heest hij drie jaren waargenomen; in dien tijd werd hij door den Koning gemagtigd tot het regelen der grensscheidinge met het Groothertogdom van Berg. Het waarnemen van zoo vele en onderscheidene ambten, onder een steeds afwisselend bewind van zaken, gaf hem overvloedige gelegenheid, om veel te hooren, te weten, en te beoordeelen.

Geen wonder, dat een Man van zulk aanzien, die daarenboven een' geruimen tijd Commandeur van de Duitsche Orde ter Balije van Utrecht was, en in de laatste jaren den rang van Coadjutor bekleedde, ook bij de instellinge der Orde van de Unie in aanmerkinge kwam, om Ridder, en in 1810 Commandeur te worden, zijnde door Zijne Majesteit den Keizer bevestigd als Commandeur van de Orde der Reunie.

Vergat nu misschien de Heer de Vos van Steenwijk, onder zoo veelvuldige Ambtsbezigheden en eerbewijzingen, den ouden smaak der letteroefeningen? was alle lust, om in dezelve werkzaam te blijven, toen verloren geraakt? In geenen deele! Want hoewel geene schriften, door hem van tijd tot tijd opgesteld, in druk uitgegeven zijn, heeft hij echter eenige aanmerkelijke stukken in handschrift nagelaten. Onder deze is van een bijzonder belang eene Historische Beschrijvinge der Stad Vollenhoven en van de Nederlandsche Gewesten, zoo verre de gebeurtenissen van die Gewesten, en bijzonderlijk van Overijssel, in verband stonden met de lotgevallen van die Stad. Indien dit werk door 's Mans kundige hand geheel afgewerkt is, of door iemand kan opgevat en voltooid worden, zou het te wenschen zijn, dat hetzelve vroeger of later in het licht kwame.

Het geeft ons altijd eenig genoegen, als wij vernemen, dat oude en verdienstelijke geslachten in ons Vaderland niet uitgestorven zijn, maar voortgeplant worden en in aanzien blijven. De Heer de Vos van Steenwijk, van wien ik sprak, had zich in echt begeven met Vrouwe Coenradina Wilhelmina Baronesse van Isselmuden, en hij liet bij zijnen dood, den achtsten van lentemaand dezes jaars op zijn buitengoed den Oldenhof bij Vollenhoven voorgevallen, uit dit huwelijk twee zoons na, Jan Arend Godard de Vos van Steenwijk en Hendrik Antonij Zwier de Vos van Steenwijk, genaamd van Essen: die, met hunne bloedverwanten, het verlies van hunnen Vader zullen betreuren, zoo lang zij zelven in het leven gespaard worden, om den roem van hun geslacht te bevestigen en te vermeerderen.

Ik kan geen andere reden uitdenken, om mij te verschoonen, dat ik Uwe aandacht zoo lang gevergd hebbe, dan mijn verlangen, om iets bijtedragen tot nut van onze letterkundige historie; terwijl ik mij verblijde, dat men nu ook bij andere geletterde Maatschappijen een voornemen schijnt opgevat te hebben, om tot dit zelfde oogmerk eenig berigt te geven, betreffende hare afgestorvene Leden; ik zal mij verheugen, indien ik, voor het vervolg, van deze taak bevrijd worde, 't zij door mijn ontslag van het Voorzitterschap, 't zij door het langdurige leven van alle de Leden dezer Maatschappije, welker bloei en roem steeds onze bedoelinge en vreugde blijve!

 

Geschiedkundige verhandelingen over Vollenhove en deszelfs omstreken

De wens, in bovenstaande necrologie beschreven, kwam uit in 1831 toen het genoemde handschrift als boekje van 72 pagina's werd gedrukt bij J.J.Tijl te Zwolle, door toedoen van zijn zoon mr. Hendrik Anthony Zwier Baron de Vos van Steenwijk.

De inleiding van het boekje:

Na eene bijna onafgebrokene staatkundige loopbaan van meer dan veertig jaren, bragt wijlen de H. W. Geb. Heer Joan Arend Baron de Vos van Steenwijk , steller dezer verhandelingen, de twee laatste jaren zijns werkzarnen levens, gedurende de Fransche overheersching, als ambteloos burger op zijn landgoed nabij Vollenhove, door, alwaar eene afdeeling van de verdienstelijke Maatschappij Tot nut van 't Algemeen, als toen regelmatig bijeenkomsten hield , in welke door een der leden bij beurten eene voorlezing gedaan werd. Deze verhandelingen dan zijn in de jaren 1811 en 1812 opgesteld, in die bijeenkomsten door Z. H. W. Geb. uitgesproken, en met veel belangstelling aangehoord. Het handschrift nog onlangs aan eenige vrienden der letteren ter lezing uitgegeven, vond zoo veel bijval, dat de Zoon des overledenen aangezocht is geworden om hetzelve door den druk meer algemeen bekend te maken. Aan dit aanzoek kon hij zich niet onttrekken, aangezien hij het beschouwde als eene hulde der nagedachtenis van zijnen algemeen geachten Vader gewijd, en als zoodanig biedt bij het eenigen zijner bekenden aan.

WINDESHEIM, November 1831.

Het exemplaar in bezit van het Stadsmuseum Vollenhove heeft op de blanco pagina na het titelblad de geschreven aanduiding:

E.F. Baron de Vos van Steenwijk, J.U.S. te Leijden.

Het gaat hier vermoedelijk om de zoon van de uitgever, die in 1834 in Leiden afstudeerde.