Marten Kingma en zijn broer hadden een aannemersbedrijf.  Marten kwam in 1942  naar Vollenhove gekomen vanwege de aanleg van de Noordoostpolder. Ook in Vollenhove bouwden ze, o.a. huizen voor de ambtenaren die bij de Rijksdienst werkten. Op de hoek van de Voorpoort en Clarenberglaan bouwde Kingma een imposant pand voor zichzelf. Aan de achterkant van de Clarenberglaan, aan de Doelenstraat, kwam een werkplaats. Het bedrijf was nauw betrokken bij de bouw van boerderijen en burgerwoningen in de polder. De hoofdvestiging van het bedrijf stond in Leeuwarden met een timmerfabriek onder leiding van Harm Kingma, broer van Marten.

Het bedrijf van de Kingma's speelde in de Tweede Wereldoorlog een sleutelrol in de hulp aan neergeschoten vliegtuigbemanningen in de Noordoostpolder.  En op het hoofdkantoor in Leeuwarden kwamen de draden samen van de Friese KP onder leiding van de kopstukken  Krijn van der Helm en zijn opvolger Piet Oberman.

Naast het bedrijf woonde nog de zwager Jaap Muller, de hoofduitvoerder. Verder waren als chauffeur in dienst Maarten Heidema en Klaas Bijlsma.  Het bedrijf beschikte over drie personenauto's en een tweetal vrachtwagens, gespoten in de grijze kleur van de Wehrmacht. Aan de voorzijde van de auto's werd vaak het bordje NOPolder geplaatst. Dat bordje deed soms wonderen. Het bedrijf had het recht om over de polderwegen te rijden.

In de polder zelf woonden nog de uitvoerders K. Damstra en P. Sandra. De medewerkers van het bedrijf kwamen dagelijks in de polder. Zij kenden ook de kampbeheerders die betrouwbaar waren. Op deze manier kon de hulp aan piloten worden georganiseerd. De piloten werden in Vollenhove vooral bij M. Kingma ondergebracht, bij zijn zwager J. Muller, bij notaris Van Kluyve of bij Evert van de Linde in de Moespot. Vanuit Vollenhove werden ze onder het mom van lifters verder geholpen naar Meppel.

Bijlsma over de manier waarop zijn baas dat regelde: "Klaas je moet nog even met een vrachtje naar Meppel. Rijd langs de Oldenhof; daar staan een paar mensen aan de kant van de weg, die je mee moet nemen". Je wist dan al dat het om piloten ging. Daarop reed ik met die mensen meestal via Zwartsluis en Beukers naar Meppel. De sluis was het gevaarlijkste punt, want als er controle was kon je geen kant op. Het laatste deel van de route ging over de Zomerdijk langs het Meppelerdiep. Aangekomen op de plaats waar het water het dichtst de weg nadert stopte ik en liet de piloten uitstappen. Daar lag toen langs het Diep nog een jaagpad. Ik wees de mensen de richting die ze moesten lopen. Conversatie werd niet gevoerd, want ik verstond geen Engels."

Ook Marten's zoon Frank vervoerde, aanvankelijk zonder rijbewijs, tal van piloten.

Spectaculair is het verhaal van Jaap Muller, die urenlang naar enkele piloten zocht. Op vrijdag 7 juli 1944 kwam een aangeschoten viermotorige Amerikaanse bommenwerper ten noorden van het huidige Bant naar beneden (dat moet de 'Paragon' zijn). De bemanningsleden hadden het toestel reeds per parachute verlaten. J. Muller had ze zien dalen en vastgesteld dat het om negen mensen ging. Hij beschreef in 1977 - 33 jaar later- zijn speurtocht door de rietvelden. Hij startte vanuit het in aanbouw zijnde Emmeloord. Vandaar ging hij de rietvelden in, waar hij het spoor soms bijster raakte. "Op minder hoog begroeid land kon ik me dan weer oriënteren op de watertoren van Kuinre en de schoorsteenpijp van het stoomgemaal Tacozijl. Tenslotte kwam ik na uren zwerven in de omgeving waar ik begon op te letten, maar zag alleen riet en nog eens riet. Op een zeker ogenblik meende ik fluiten te horen, bleef staan - om mij heen ziend - en liep weer verder. Toen, na weer fluiten en weer blijven staan, kwam er iemand uit het riet tevoorschijn en kwam op mij toelopen. Zijn shirt was open en hij liet mij een plaatje zien, hetwelk aan een kettinkje om zijn hals hing; verder geen woorden, want we spraken elkaars taal niet, maar ik kreeg wel zijn vertrouwen. Hij was één van de negen. Ik begon op de vingers uit te tellen dat ik negen parachutisten had zien springen. Hij was er één van, hij knikte dat hij dit begreep. Wijzend naar verschillende kanten, wilde ik van hem weten in welke richting wij verder moesten gaan. Hij wees richting Lemmer en wij gingen samen verder. Toen wij deze richting volgden, kwamen we op een stuk zeebodem, waar het riet was afgemaaid en de breedte van een te graven sloot was uitgezet.
Hierdoor hadden we vooreerst een ruimer uitzicht in de richting Lemmer. Na enige tijd bespeurde ik met behulp van de verrekijker iets, maar ook mijn maat kon niet onderscheiden wat. Weer verder lopen, steeds door de verrekijker loerend, want het konden neergekomen vliegers zijn, maar ook op zoek zijnde Duitsers. Zo naderden we elkander en toen de Amerikaan weer de verrekijker gebruikte, zag ik een glimlach op zijn gezicht komen, hij herkende zijn kameraden. Toen we bij elkaar waren was het een moment van handen schudden en de vijf begonnen gedachten uit te wisselen. Omdat deze vijf niet wisten in welke richting de andere vier zouden kunnen zijn, heb ik ze meegenomen naar een door ons in aanbouw zijnde boerderij."
Muller laat de piloten veiligheidshalve achter in het riet om water en hulp te halen bij de boerderij, maar dan kan hij ze even later niet meer terugvinden. Hij slaagt er pas in na een zoektocht. De negen piloten - eerst zes en later nog drie - belandden veilig in Vollenhove. Maar hoe dat precies in zijn werk ging had Muller in zijn verhaal niet verteld.

Daarvan weet Bijlsma dan weer meer te vertellen. "Ik kreeg op die bewuste zevende juli een seintje dat ik met de auto naar de pont over de Enservaart moest rijden. Die pont was toen nog de verbindingsschakel tussen Kraggenburg en Marknesse, waar nu in de Leemringweg een brug ligt.
Daar aangekomen stond Muller met iemand, die ik niet kende, mij op te wachten. Ze hadden daar zes piloten in het riet verborgen en vroegen of ik ze mee wilde nemen naar Vollenhove. Zij waren beide met een luxe wagen en stelden voor om met een tussenafstand van 1 km achter elkaar de polder uit te rijden.
Bij onraad zou men keren en mij waarschuwen. Zo startten we vanaf de pont en ging het richting De Voorst. De heren zag ik niet terug en ik dacht dat alles in orde was. Maar aangekomen bij De Voorst kreeg ik de schrik van mijn leven, want bij het gemaal stonden veel Duitse soldaten, die intussen op zoek waren gegaan naar de piloten. En die piloten zaten nota bene bij mij op de open wagen. Ik kon nog juist op tijd het stuur naar rechts gooien en de richting van Kadoelen inslaan. Daar ben ik toen de polder uitgereden en heb de vrachtwagen na aankomst in Vollenhove meteen de schuur ingereden."

Jaap Muller verklaarde later tegenover Bijlsma dat hij ervan uit was gegaan dat Bijlsma de Duitsers bij de sluis zou zien en uit eigen beweging de weg over Kadoelen zou kiezen. De piloten hebben bij Muller overnacht en werden op één van de volgende dagen naar Meppel gebracht.

Uit de informatie van PATS: het vliegtuig was geraakt door de luchtafweer boven het doel, een vliegtuigfabriek in Leipzig. Uiteindelijk vielen drie motoren uit, maar er ontstond gelukkig geen brand. Omdat ze langzaam hoogte verloren, moesten ze springen - op 1500 meter hoogte, boven de Noordoostpolder. Vijf bemanningsleden - Tracy, Ashbrook, Harrah, Giles en Campbell - gebruikten het luik aan de voorkant, de andere vier - Alexanian, Cimino, Garofalo en Mays - het achterste luik. Het vliegtuig kwam neer op kavel C-40, 9 km NNO van Urk. Iedereen landde veilig en kon wegvluchten. Drie hadden kleine letsels, o.a. aan de enkel. Giles, Tracy, Ashbrook, Alexanian en Mays waren binnen vijf uur met elkaar onder de hoede van het verzet uit Vollenhove. Uiteindelijk werden alle negen gevonden, en vastgesteld dat het de hele bemanning was. Vervolgens werden ze gescheiden in koppels (Alexonian en Cimino kwamen op de Oldenhof terecht), kregen burgerkleren en een nieuwe identiteit (Giles werd Johannes van Dam) en werden naar Meppel gebracht, op de 'pilotenlijn'. De piloot Harrah (1918-2003), co-piloot Giles (1924-2003), bommenrichter Ashbrook (1924-2009) en schutter Mays (1925-1979) werden in Antwerpen krijgsgevangen gemaakt op 22 juli 1944 maar overleefden de oorlog. Cimino werd het laatst gezien bij Roermond op 11 aug 1944 door navigator Tracy, hij kwam om in een vuurgevecht op 10 september met de Duitsers, bij Spa in België, waar hij meevocht met het Belgische 'Witte Leger'.  Tracy (1922-2002) was ondergedoken bij Roermond en werd bevrijd op 18-11-44 door de Canadezen. Ook Alexanian (1923-2007) en Garofalo (1924- ) zaten daar. Campbell (1922-2010) zat in America.

Pilotenlijn Vollenhove - Meppel

Na de oorlog bleek hoe belangrijk de schakel in Meppel was geweest voor zowel de piloten uit Friesland als uit de polder.
De Kingma's bezitten een lijst met 37 door hen geholpen piloten. Er ontbreken er vijf; want het totale aantal bedraagt 42. Van deze 42 waren de meesten uit de polder afkomstig. In het familiealbum van mevr. R. van Dijk-Kingma bevonden zich ook enkele foto's van de geholpen vliegers. De opnames waren nodig geweest om de piloten aan vervalste persoonsbewijzen te helpen.

Aanvankelijk luidde de instructie aan neergekomen vliegers, dat ze zich over moesten geven als ze in vijandelijk gebied waren geland. Maar begin 1943 was daar verandering in aangebracht en werd opdracht gegeven om naar Engeland terug te keren. Er werd zelfs een premie en ook verlof van enkele weken in het vooruitzicht gesteld als Engeland werd bereikt. De illegaliteit speelde daarop in en deed al het mogelijke om de piloten via georganiseerde ontsnappingslijnen naar een neutraal land te brengen. Zo wordt voor Friesland het totaal aantal vliegers dat niet in Duitse handen viel op 245 geschat.

De hulp aan piloten in de polder was minder riskant dan de hulp erbuiten. Bij de uitvalswegen stonden soms wachtposten en werd het gevaarlijker, maar het op een pilotenlijn zetten was het gevaarlijkst. Daar was een behoorlijke organisatie voor nodig. in de polder waren de omstandigheden niet optimaal voor georganiseerd verzet. De mensen kenden elkaar niet en wisten dus ook niet precies wie wel of niet te vertrouwen was. In kamp Kadoelen heeft de andere Vollenhoofse verzetsgroep, de groep Harmen Visser, enige tijd vergaderd. Kampbeheerder Ab Overink, ook betrokken bij het illegale werk, noteert sober: "We verspreidden wat lectuur en verleenden soms hulp aan piloten". Hij was via ds J. Wolven uit St. Jansklooster met het verzet in contact gekomen.

Ex-verzetsman W. Soetendal, als onderofficier in de Noordoostpolder ondergedoken, heeft één keer in zijn leven een piloot achter op de motor meegenomen naar Kampen. Daar aangekomen kon men de man toch niet verder helpen en toen werd de vlieger naar Vollenhove gebracht naar notaris Van Kluyve, ook lid van de groep Kingma. Het was aan Soetendal bekend dat piloten via Vollenhove verder geholpen konden worden. Maar de piloot kwam toch naar Kampen terug omdat de pilotenlijn Vollenhove op dat moment niet functioneerde.

In het familiealbum van mevr. R van Dijk - Kingma bevond zich een lijst van door de groep Kingma verzorgde en vervoerde piloten. Van de in totaal 42 geholpen piloten staan er 37 op de lijst. De geheime boekhouding kon ontstaan, omdat voor iedere piloot valse papieren nodig waren. De "groep Vollenhove" bestond uit M. Kingma, J. Muller, J.J.J. van Kluyve en E. van de Linde.

Achtergrondinformatie van alle namen op deze pilotenlijst van de groep Vollenhove - en meer over het lot van andere andere vliegtuigbemanningen, is te vinden op de website van Teunis Schuurman aka Pats die nog steeds extra informatie wereldwijd in geschrift en uit de mond van betrokkenen verzamelt en verspreidt.

De persoon Marten Kingma

Marten Kingma's zoon Frank vertelde het één en ander over die tijd van toen. Zijn vader was voor ieder de man van gezag, hij was de centrale figuur en steeds dominant aanwezig. Niet-familieleden (van der Linde, K Bijlsma) onderschrijven dat. Hij was de geboren leider en gaf de opdrachten op een manier dat weigeren uitgesloten was. Het ging zo: "Frank, als jij nou vanmiddag even drie pakketjes naar Meppel brengt!" Dan wist Frank al dat zijn vader telefonisch contact had gehad met Peter van der Hurk uit Meppel. Hij deed dat zonder tegenspraak Kingma sr. was een man van weinig woorden, maar met zoveel gezag uitgesproken, datje gewoon deed wat van je gevraagd werd. Je nam ook zonder meer aan dat het verantwoord was. Je dacht daar niet over na.
Frank kan er nog veel van vertellen. In Vollenhove kreeg men wegens onvoldoende verduistering bezoek van de Duitse commandant. De officier kwam met veel kabaal naar binnen met achter zich twee soldaten met het geweer aan de schouder. Frank daarover: "Mijn vader kende geen Duits. Ik moest vertalen en dan begon ik: "Mein Vater sagt. . dat het geen pas geeft om op deze manier een woning binnen te komen. Of hij die soldaten maar naar buiten wilde sturen, anders zou hij de commandant in Zwolle van de zaak op de hoogte stellen." En waarachtig, ze gingen naar buiten. Daarop begon het gesprek over de verduistering en het eind van het liedje was dat vader het vertikte om alles potdicht te maken. En het werd nog geaccepteerd ook.
Een ander voorbeeld betrof de aanhouding van hun auto ergens in Nederland. Ze moesten het Ausweis laten zien. Er werd geblaft... Name! Vader vertikte het en wees naar het papier, waarop de naam al stond. Overigens was men soms ook ontstellend naïef en roekeloos. Frank herinnert zich nog hoe de mitrailleur met de kogelbanden afkomstig uit een neergekomen vliegtuig zomaar in de garage lag. Deze mitrailleur was bestemd voor de KP-leider Oberman."

Marten Kingma was atheïst, maar ging vriendschappelijk om met andersdenkenden. Zo was de gereformeerde predikant Tjadens nogal eens op bezoek. Een bijzonder aardige vent, volgens Frank, die ook in het verzet zat. Hij kreeg de bijnaam van 'Het vliegend evangelie". Ds Tjadens overleed tijdens de oorlog aan difterie.
Bij de beoordeling van de mensen deed de godsdienst er niet toe. Voor Kingma gold alleen of de man vertrouwd was. Had je eenmaal zijn vertrouwen beschaamd, dan was het ook voorgoed afgelopen met de contacten. Hij was fel antinazi en had na de oorlog nog steeds een gruwelijke hekel om door Duitsland te reizen. Hij wilde er in ieder geval niet pauzeren om te eten.

Harm Kingma in Leeuwarden was Mennoniet en had principieel bezwaar tegen het gebruik van geweld. Zijn broer Marten was politiek sociaaldemocraat en dat betekende voor de oorlog ook afkeer van wapens. Toch zouden beide broers, toen de nood aan de man kwam, er geen moment voor terugschrikken om de wapens tegen de bezetter op te nemen. In juli 1944, na de arrestatie van de beide chauffeurs M. Heidema en K. Bijlsma, moest de hele familie onderduiken. Ze trokken naar Eernewoude waar de grootouders woonden. In de Oude Vennen lag een woonark waarin de familie verbleef.
"Voor vader was het een heel moeilijke tijd toen zijn chauffeur K. Bijlsma opgesloten zat in de gevangenis in Leeuwarden. Hij fleurde geheel op toen deze weer vrij kwam."
Na de oorlog was de familie zwaar gedupeerd door de vele maanden van onderduiken. De tijd van aanpakken was weer begonnen. Over de oorlog werd niet meer gepraat. De handen uit de mouwen en er weer tegen aan. De kinderen zongen: grote schoppen, lage lonen. Hij gaf zelf het voorbeeld en had aan vier uur slaap genoeg.
In 1955 trof hem een ernstig auto-ongeluk. Op 9 december 1965 overleed Marten Kingma in het ziekenhuis te Arnhem. De crematie vond vijf dagen later plaats te Groningen.

Kingma kreeg in 1952 uit handen van prins Bernhard het Verzetskruis. In 1947 werd hij hij al geëerd met de Medal of Freedom, met een officiële dankbetuiging van de Amerikaanse president, ondertekend door generaal Eisenhower.

Bron: De bevrijding van het Nederlands Onderduikers Paradijs, Aaldert Pol, uitgave van Museum Schokland, 1995, Schoklandreeks nr 4