Willem baron Sloet tot Westerholt was een kleinzoon van de laatste bewoonster van havezate Westerholt, die in 1849 is afgebroken. Hij stamt af van Wouter Sloet die in 1593 in Vollenhove is geboren als zoon van Arend Sloet van Tweenijenhuizen (1552-1615), zijn nakomelingen woonden en werkten vele generaties lang in de buurt van Zutphen.

Vader Herman / Harmen / Harm Willem Jan Sloet baron tot Westerholt (1787-1840) was rechter in Zutphen en trouwde 17-7-1828 (8 maanden na geboorte van zijn zoon!). Zijn echtgenote (1806-1873), Johanna Florentina Hennink, een dochter van bakker Hennink aan de Voorpoort, keert na zijn overlijden terug naar Vollenhove en woont in de Bisschopstraat op nummer 177k met haar dochters. Logisch dat de 13-jarige Willem ook daar op de Franse School terecht komt. De door hieronder Van der Aa genoemde Hoen in Hattem had overigens tot 1828 een vermaard instituut in Vollenhove. Hij werd daar opgevolgd door Ramakers, die o.a. ook les gaf in bouwkundig tekenen.

Uit: Biographisch woordenboek der Nederlanden, A.J. van der Aa, p. 729-730. Deel 17. Tweede stuk (1874):

SLOET TOT WESTERHOLT (WILLEM) werd op den 4 Nov. 1827 te Heerde in Gelderland geboren. Hij genoot zijn eerste opleiding bij van Os, institateur te Vollenhove en vervolgens bij 't Hoen te Hattum. Na het overlijden zijner ouders werd zijn verdere opleiding aan Erbink, instituteur te Vollenhove, opgedragen. Met een goed geheugen en helder verstand begaafd, maakte hij zich spoedig de beginselen van onderscheidene vakken van wetenschap eigen, als mede van de Friesche, Duitsche en Engelsche talen. Zijne weetgierigheid prikkelde hem om zich te gelijk op het Latijn toe te leggen, waarin hij zoo veel vorderingen maakte, dat hij het gewone proza vrij wel verstaan kon. Ondertusschen waren het de stellige wetenschappen, die zijne weetgierigheid meer en meer boeiden, als natuur- en wiskunde. Ook was hij ver gevorderd in het bouwkundig teekenen.
Op den jeugdigen leeftijd van 22 jaren werd hij als adjunct-ingenieur bij de waterbouwkundige werken van het Zwolsche diep geplaatst, en droeg in die betrekking, welke hem werkzaamheden zoo wel van technischen als administratieven aard verschafte, de goedkeuring van den ingenieur-directeur van Diggelen en van den raad van administratie, weg. Na de voltooijing van het Zwolsche diep, verviel daarbij zijn ambt. Bij de invoering der rijks-telegraphie, was hij, op het vergelijkend examen voor de aanstaande telegrafisten, een der eersten, die aangenomen werden. Meermalen werden hem aanbiedingen gedaan om in de telegrafie van een ander land over te gaan, 't geen hij echter van de hand wees. Op het laatst van zijn leven werd hem opgedragen om te Delft de aankomende telegrafisten in het practische der telegrafie onderwijs te geven. Onder de wetenschappelijke studiën zijner laatste jaren, bekleedde die der staathuishoudkunde eene eerste plaats. Om zich zelven te oefenen, geen ledigen tijd te verliezen en tevens zich de hulpmiddelen aan te schaffen, die hem verder in zijn wetenschappelijk streven van dienst kon zijn, vertaalde hij onderscheiden belangrijke werken, zooals de Beschrijving van Kordofan door Ignaz Pallme, welke hij verrijkte met een keurige kaart van zijn eigen hand, alsmede met aanteekeningen die van groote belezenheid getuigden, voorts van het werk van Mc.Culloch, Over de werkloonen en den toestand der arbeidende klasse, met aanteekeningen en een aanhangsel Over de voornaamste bestanddeelen van het werkelijke loon eens arbeiders en eenige opmerkingen over den min gunstigen toestand van een groot aantal arbeiders, ook van de lessen tot Inleiding der Staathuishoudkunde door Richard Whafeley. Terwijl hij te Amsterdam op het telegrafisch bureau was, werd hem door de maatschappij Felix Meritis het opmaken van het wetenschappelijk verslag harer handelingen opgedragen en kweet hij zich hiervan op een voortreffelijke wijze. In het 2de stuk 10e d. van hetTijdschrift voor Staathuishoudk. en Statistiek gaf hij een oorspronkelijk stukje De electrische telegraaf, in betrekking tot de algemeene welvaart. Hij overleed den 15 Julij 1854, als telegrafist der eerste klasse.
Zie het genoemde Tijdschrift, D. XI. bl. 177. volgg.

Van der Aa schrijft in zijn biografie dus zeer lovend over Willem baron Sloet tot Westerholt. Het project van de genoemde Van Diggelen (1815-1868) rond het Zwolse Diep zorgde in de periode 1845-1848 voor een betere toegang tot het Zwarte Water vanaf de Zuiderzee naar Zwolle, door twee 6 km lange strekdammen met op het eind de lichtwachterswoning, tegenwoordig Oud-Kraggenburg. De biografie van Van der Aa plaatst hem in 1849 bij dit project, het werk is dan al voltooid! Ten tijde van het verschijnen van het krantenartikel was Sloet 26 jaar oud, kennelijk woonachtig in Den Haag. Kort hierna overleed hij in Vollenhove. Hij is de laatste mannelijke telg in deze lijn van het geslacht Sloet.
De verwijzing in de biografie van Van der Aa naar Delft slaat ongetwijfeld op de Koninklijke Academie, daar sinds 1842, en tegenwoordig de Technische Universiteit Delft. Willem gaf daar les in de elektrische telegrafie, sinds 1845 gebruikt in Nederland en in 1852 onderdeel van de Rijkstelegraaf. Ondertussen studeerde hij stevig door in o.a. de staathuishoudkunde en werkte ook nog als vertaler van enkele belangrijke wetenschappelijke boeken.

In zijn artikel in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant van 7 maart 1854 is Willem duidelijk geïnspireerd door de technische innovatie van Willem Loos in Blokzijl, die dan net een stoommachine bij zijn zaagmolen heeft laten bouwen (en zo één van de grootste houthandels in Europa werd!). Hij is gefrustreerd door de afbraak in Vollenhove, waar vele havezaten al waren gesloopt – waaronder Westerholt in 1849 – en nu de laatste resten van het Oldehuis gingen verdwijnen. Als de locatie dan toch vrijkomt, waarom ook hier geen moderne industrie – in plaats van de ‘slavenarbeid’ in een calicotweverij?