beeldje van Jan Scheer door Fem Weijsbeeldje van Jan Scheer door Fem Weijs. 

In het Stadsmuseum staat een beeldje van een stadsomroeper. Het is gemaakt door Fem Weijs en in 2002 geschonken aan de Oudheidkamer door mevrouw Boersma-Spit uit Haarlem, inmiddels overleden. De beschrijving was lange tijd zoek maar is mij opnieuw aangereikt door ex-bestuurslid Tjeerd Mast, die het beeldje destijds in ontvangst nam met de belofte het ook ten toon te stellen. Schenkster had namelijk persoonlijke herinneringen aan Jan Scheer, de Vollenhoofse stadsomroeper die hier is uitgebeeld in functie met de koperen ‘pan’ waarop geslagen werd om de aandacht te trekken. Het beroep van stadsomroeper is al heel oud en wordt nog steeds uitgeoefend, maar dan alleen als folklore, vaak in middeleeuwse kostuums. In Vollenhove had de stadsomroeper al in 1795, het begin van de glorietijd van de visserij in Vollenhove,  de officiële taak om op verschillende plekken in de stad bekend te maken dat er vis aan de visafslag te koop werd aangeboden. De functie van stadsomroeper werd vaak gecombineerd met een ‘gewoon’ beroep of een andere officiële functie. In Vollenhove was dat in 1828 met de functie van ‘agent van politie’, en nadat er in 1872 straatverlichting kwam met de functie van lantaarnopsteker. Het ging toen om olielantaarns die met een lange stok ’s avonds werden aangestoken en om twaalf uur werden gedoofd. Het aantal lantaarns in de stad werd in 1907 en daarna nog behoorlijk uitgebreid, o.a. bij de haven.

Jan Scheer werd geboren in 1868 en woonde bij zijn ouders in de Kerkstraat (daarvoor in de Visschersstraat) tot na hun dood. Vader, die kuiper was, overleed in 1904, moeder in 1910. Er waren zes kinderen, van wie Albert als oudste in 1852 werd geboren. Vervolgens Hein in 1855, Sophia in 1858, Derk – die nog geen jaar werd – in 1862 en Riekent in 1863. Moeder was al 45 bij de geboorte van Jan. Eind 1911 ging Jan werken in Lochem, maar dat duurde niet lang. Hij kwam terug naar Vollenhove en kreeg de gecombineerde functie van lantaarnopsteker, als opvolger van Johannes Westerbeek, en van stadsomroeper als opvolger van Jan Bruning. Hij verdiende daarmee respectievelijk f 135 en f 10 per jaar, zeker niet veel als men bedenkt dat een schooljuffrouw of een medewerker van de visafslag in die tijd f 400 kreeg, maar kennelijk genoeg voor deze eenvoudig levende vrijgezel. Hij betrok een piepklein huisje, gebouwd in 1850 door landbouwer Jan IJspeert als onderdeel van een complex van vier aan de Van Baaksteeg. In 1919 werd het huisje onbewoonbaar verklaard en moest Jan er uit. De gezondheidscommissie in Steenwijk had geconstateerd dat het er stonk en de vloer aangetast werd door mestvocht dat uit de aangrenzende varkensstal kwam.  Het probleem kon ook niet worden verholpen. De burgemeester had hem al enkele keren gewaarschuwd en aangeraden om in het (toen net nieuwe) Armenhuis te trekken, maar dat wilde Jan niet. Uiteindelijk kon hij verhuizen naar een ander huisje aan de Gasthuissteeg. Maar zijn oorspronkelijke woning werd pas in de jaren 1970 bij de sanering van de hele vissersbuurt afgebroken! De eigenaar, boer Hendrik Dekker, verkocht het aan investeerders Luit de Lange en Wicher Heetebrij die het lieten verbouwen, en het toen verkochten aan landbouwer Roelof Schuring. In 1960 kocht Jacobus Driezen het, verbouwde het tot garage en bergplaats. Het bleef in gebruik tot de verkoop aan de gemeente in 1967.

Jan Scheer verhuisde niet naar het Armenhuis, de suggestie van de gemeente, maar naar een ander piepklein huisje. Uiteindelijk zou hij toch in het Armenhuis terecht komen, maar daarover later. Overigens woonde zijn oudste broer Albert (Ab) vlakbij, in de Bisschopstraat, maar er was weinig onderling contact. In december 1915 stemde de gemeenteraad unaniem voor het aannemen van Jan Scheer. Helaas voor Jan braken er al snel andere tijden aan. Hij had weliswaar wat extra verdiensten door berichten in de mobilisatietijd (tijdens de Eerste Wereldoorlog) over voedseldistributie, maar moest in 1917 accepteren dat zijn baan als lantaarnopsteker werd beëindigd. De gemeenteraad had besloten elektrische straatverlichting in te voeren, hetgeen overigens pas een jaar later was gerealiseerd en tot in 1919 problemen gaf. Inmiddels kwamen er ook al klachten over de omroeper, die niet liep maar slofte, vaak onverstaanbaar was en kennelijk een keer vergat iets bij de haven af te roepen, waarover een officiële klacht werd ingediend. Mogelijk gaf de visafslag nog wat extra emplooi, want omroepen voor de gemeente deed hij gemiddeld maar eens per week. De vergoeding daarvoor werd op zijn verzoek weliswaar enkele malen fors verhoogd, van f 10 via f30 naar wel f 50 per jaar maar dat vond men uiteindelijk wel genoeg (en daar moest zijn opvolger het ook jarenlang mee doen). Andere klanten voor de omroeper waren de plaatselijke cafés, en bij mist bediende Jan de misthoorn die aan het havenhoofd bij Ruimzeezicht stond. Door hier aan te draaien hoorden de vissers waar ze moesten zijn om de haven binnen te lopen. Een vetpot werd het echter nooit.

Tijdens het omroepen is hij onwel geworden op de stoep bij de pastoor in de Heilige Geeststeeg. ’s Nachts, op 9 mei 1931, is hij aan een hersenbloeding overleden in het Armenhuis aan de Kerkstraat (later bejaardentehuis ‘Avondrust’), waar men hem naar toe had gebracht. Hij werd 62 jaar. Mevrouw Boersma-Spit, de schenkster van het beeldje, had een speciale band met Jan. Ze kreeg van hem altijd de kleine cadeautjes die vroeger in de zeep van Klok zaten. Toen zijn huisje aan de Gasthuissteeg 391 (het derde huisje vanaf de Visschersstraat) na zijn overlijden werd ontruimd, vond men de muren ”behangen” met kleine vlechtwerkjes die zij op de kleuterschool “Tabitha”  voor hem had gemaakt.

Op 30 mei 1931 stelde de gemeente de vacature open voor een opvolger. Dat werd Jan Hoogenkamp (1882-1959), woonachtig op ‘het Fort’ (Oldehuisplein). Hij was vrij slecht te verstaan en de toehoorders vroegen dan ook nogal eens om nadere toelichting. Zijn bijnaam was ‘Jan Bollegien’ (of Bollegies, ook werd hij Koppelstok genoemd). Buurman van toen, Klaas Vis, kon mij iets over hem vertellen.  Jans grootvader (1830-1890), ook Jan, was geboren in Vollenhove en was barbier in de Kerkstraat. Jan woonde als kind bij hem in. Na zijn huwelijk in 1902 woonde hij tot 1913 in de Gasthuissteeg en vertrok toen naar Hasselt. Later kwam hij als vissersknecht terug naar Vollenhove. Zijn schoonzoon verving hem soms als omroeper en was mogelijk ook zijn opvolger. Deze ‘Karregien’ heette eigenlijk Hendrik Scholing en was getrouwd met Jans dochter Roelofje. De laatste omroeper was Piet Mondria, oftewel Piet van Pumpien. Hij woonde aan de Heilige Geeststeeg op de hoek van de Vismarkt. Daar liep een goot over de weg voor afvoer van het water van het open riool naar de stadsgracht, dit werd een ‘pomp’ genoemd – vandaar ‘pumpien’. Bij hem en zijn vrouw Anne kon je ook de krant kopen.  Hij was meestal op de fiets, met een grote koperen bel aan het stuur. De berichten gingen vaak over een noodslachting, een verloren portemonnee, bijeenkomsten in het Nutsgebouw en activiteiten in de plaatselijke horecagelegenheden. De omroepers waren niet allemaal even geletterd. Zo kon het gebeuren dat er op een avond om 8 uur in het Nutsgebouw een EhaBao circus zou zijn (EHBO-cursus).

Naast de omroepers had je nog de zogenaamde leedaanzeggers, waaronder koster Brandsma, die bij sterfgevallen langs de deuren gingen. Zij kregen hier en daar nog wel eens een ‘slukkien’ en na een groot deel van de route hoorde je soms: "Wie as 'ter dood is weet ie wel,maar geeft m'j d'r nog mar ene."

Bronnen: Tjeerd Mast, Klaas Vis, Laurent Nering-Bögel, Fokko Wolgen (Kondschap juni 2013), gemeenteraadsnotulen en bevolkingsregister (Gemeentearchief).