Anthony baron Sloet van Oldruitenborgh (1851-1935) was zoon van Anton Henri baron Sloet van Oldruitenborgh (1798-1871), 'mon cher major' in dienst van Oranje, en Maria Mechteld Florentine baronesse Sloet van Tweenijenhuizen (ca. 1822-1866). In de praktijk werd hij Anton genoemd.

Het vroegste stuk dat van hem bewaard is gebleven is een eigenhandig geschreven brief uit zijn kostschooltijd in Noordwijk uit 1866. Hij was toen veertien jaar oud. De brief is gericht aan zijn moeder die op dat moment ziek was. Zijn wens dat zij spoedig weer beter zou worden ging helaas niet in vervulling. Minder dan twee maanden na de ontvangst van de brief overleed zij. Uit de brief blijkt wal Anton op dat moment bezighield: naast de ziekten van zijn moeder en zijn nichtje Albertine Sloet waren dat het vergaan van het stoomschip 'London', een uitgebroken epidemie onder het vee in Europa en het aanstaande aftreden van het tweede kabinet Thorbecke. Anton - zoals Anthony werd genoemd - kon het niet nalaten over dat laatste zijn vreugde te uiten: 'het doet mij zeer veel genoegen (dat) Thorbecke af zal treden, u niet?'

Van het geld dat zijn moeder hem naliet vormde Anton een spaarpotje. Zijn ouders woonden meestal in Zwolle in een huurhuis in de Diezestraat. Na de dood van zijn moeder bleef zijn vader tot diens overlijden in Zwolle wonen. De minderjarige Anton kwam onder voogdij te staan van zijn veel oudere neef Gerard Sloet van Marxveld. Aan deze beslissing was familieberaad voorafgegaan met zijn ooms Schultz van Haegen en Van den Santheuvel. Nadat hij de kostschool had doorlopen maakte Anton ter afronding van zijn opleiding een buitenlandse tournee, zoals in zijn kring gebruikelijk was. Als mentor kreeg hij dominee Moli van Charante mee. Het tweetal ging eerst naar Parijs en vandaar reisde het naar Lyon. In deze stad ontmoette Anton een jeugdige Française, op wie hij hevig verliefd werd. Hij wilde bij haar blijven en voelde er niets voor verder te reizen naar Genève, de volgende stad. Zijn reisgenoot was ten einde raad en schreef lange brieven aan Antons voogd, maar het hielp niet. Hij reisde alleen verder en liet Anton in Lyon achter met zijn geliefde. De predikant en Anton keerden uiteindelijk langs verschillende wegen in Vollenhove terug.

Na deze reis trad Anton zelfstandig op en beheerde zijn goederen zelf. Omdat meerderjarigheid pas met zijn 23e jaar zou ingaan werd dispensatie bij de Hoge Raad aangevraagd. De gewenste 'handlichting' werd verleend op 12 september 1873, de koninklijke goedkeuring volgde een week later. Inmiddels was hij op Oldruitenborgh gaan wonen, het huis dat sinds enkele generaties bij zijn familie in bezit was, en deed volop mee aan het maatschappelijk leven in Vollenhove.

Op 29 januari 1880 trad Anton in het huwelijk met Frederika Margaretha barones Lewe van Middelstum (1860-1925). Zij was een grote struise vrouw, en op 18-jarige leeftijd als onderwijzeres naar Vollenhove gekomen. Frederika stamde uit een vooraanstaand en oud Groninger geslacht, maar de tak Lewe van Middelstum was door omstandigheden verarmd. De opleiding tot onderwijzeres moest Frederika in staat stellen in eigen onderhoud te voorzien. Ter ere van het bruidspaar werd een boekje met feestzangen gedrukt. De leerlingen van de school waaraan Frederika lesgaf zongen een eigen versje:

'Zijt welkom gij hoogedel paar                     Leef lang en gelukkig in Vollenhove

Zoo roepen aller tongen                                 Bevrijd van ramp en smarte

Dit welkom wordt door oud en jong            En draag het heil van onze school

U hartelijk toegezongen                                 Goedgunstig in uw harte'

Maar ook wij kinderen willen thans

Ons wenschje u doen hooren

Dat u hier woont maakt ons zoo blij

God zegen u welgeboren

Uit het huwelijk werden kort na elkaar drie kinderen geboren: Henri in 1880, Eb in 1882 en Mies in 1884. In 1893 volgde nog een nakomertje: Tonny. In 1885 volgde Anton de heer A. J. ten Cate op als burgemeester van Stad en Ambt Vollenhove. Ten Cate was getrouwd met Gerarda Sloet tot Westerholt en 26 jaar burgemeester geweest toen hij het ambt neerlegde. Uit de eerste huwelijksjaren bestaat een foto van het echtpaar met een kind - waarschijnlijk Henri - in de kinderwagen.

Het jonge gezin Sloet staat op de foto hiernaast temidden van zestien andere personen afgebeeld. Als al die mensen het personeel op Oldruitenborgh vormden, ligt daar misschien wel een verklaring voor de verliezen die de zetboerderij opleverde. Te oordelen naar de pet en koetsiersjas is een van de personeelsleden koetsier. Vóór mijn tijd, maar ik kan mij hem nog wel herinneren, was Klaas Mondria (1854-1946) huisknecht-koetsier op het huis. Hij is er heel lang werkzaam geweest. Een anekdote: 's morgens schuift opa het raam van de slaapkamer op en vraagt:

'Klaas, wat is het voor weer?' Mondria: 'een dikke onderbroek, meneer'. Later is Klaas Mondria in de rentenierswoning aan de Bentstraat gaan wonen. Voor hem in de plaats kwam Jan Hofman. Deze maakte de overgang van het rijtuig naar de auto mee en werd van koetsier chauffeur. In het laatst van zijn leven was hij caféhouder in Wanneperveen. Hij werd als chauffeur opgevolgd door Hendrik - zijn achternaam ben ik vergeten - die daarvoor in dienst was geweest bij jonkheer Van Beresteyn in Den Haag. Berend Dijk uit Zwollerkerspel was de laatste chauffeur op Oldruitenborgh. Hij zou later trouwen met de dienstbode van de Stroinks, Jentje Smit.

Zijn dochter Mies vertelde dat Anton altijd paarden had met een bijzonderheid. Eenmaal had hij zo'n wild span, dat dit eerst Vollenhove rond moest draven alvorens het met de koets voor het huis halt kon houden om zijn vrouw en dochter in te laten stappen. Een andere keer had hij een span dat niet stil kon staan, zodat het rijtuig op het voorplein rondjes reed. Eerst werd al rijdend zijn vrouw door Anton het rijtuig ingeduwd en de volgende ronde zijn dochter. Ook waren er wel eens ongelijke spannen met een groot en een klein paard, enz.

Vaak - voor die tijd althans - gingen Anton en zijn vrouw op reis. Anton was meermalen in Parijs. Vooral circussen hadden zijn belangstelling. Ook bezocht hij wel circussen die in de buurt optraden, zoals Hagenbeck en Sarassani in Meppel. Wanneer mijnheer Van Westerholt kwam logeren om de pacht van de boerderij van zijn vrouw in de Zuurbeek te innen, dan wilde deze nog wel eens oude herinneringen ophalen: 'toen kwam Anton op een schimmel binnenrijden...', maar verder kwam hij niet. Hij moest er nog altijd erg om lachen, maar Anton gaf er telkens blijk van dat hij er liever niets over wilde horen in het bijzijn van zijn zoon Tonny en kleinzoon Frans. Volgens dochter Mies ging haar moeder meestal naar Baden-Baden. Ansichten en souvenirboekjes zijn als stille getuigen van die uitstapjes bewaard in het familiearchief.

Het was voor de Eerste Wereldoorlog nog de tijd van 'Der Mensch fângt an beim Baron', maar Anton liet zich nooit voorstaan op zijn titel. Je was die je was en of je nu met een maatschappelijk meerdere of mindere omging, je blééf wie je was: van geboorte een baron. Zo ging hij  's middags met het rijtuig en later met de auto bij zijn pachters in Ambt Vollenhove op bezoek en dronk bij hen een kopje thee in de keuken.

Na het overlijden van zijn vrouw gingen Frans Stroink jr en zijn zus om de dag ‘s avonds eten bij hun opa, naar zijn herinnering Frans het meest. Hij ging ook mee met het rijtuig of de auto als grootvader zijn pachters bezocht en wanneer hij naar Drenthe ging, waar hij vroeger veel gejaagd had. In Vledder ging het dan naar Geertien Ekkels, waar hij verbleef in een herenkamer bij de boerderij. De wildstand in Drenthe was slecht, zodat er slechts kort gejaagd mocht worden, maar het genoegen van de jacht was er niet minder om. Opa ging altijd vergezeld van Jan Poelier, die eigenlijk Jan Winter heette, maar iedereen noemde hem poelier. Het jachtgezelschap in Vledder bestond uit adellijke lieden als baron Van Westerholt, baron Sloet van Marxveld en jonkheer Van Suchtelen (uit Delden).

Allen hadden daar een vast adres. In Diever ging Anton op bezoek bij Willem Eisink, een oud-jachtopziener. Ook joeg hij vaak in Beilen en las om die reden de Beiler Courant. Hij bleef in gezelschap van Jan Poelier wel drie weken in Drenthe om te jagen. 'We gaan het oosten in', zei hij dan. 's Middags werd gegeten in het café van Jan Blok in Wapserveen. Soms reden zij over Wateren, ten noorden van Vledder, waar een huis stond dat hij wilde kopen - maar het kwam er nooit van.

Vroeger was hij vaak van plan geweest te verhuizen. Het leek wel een gril van hem maar het moet, denk ik, te maken hebben gehad met geldzorgen. Anton had geen inzicht in geldzaken. De exploitatie van de boerderij le­verde geen winst op en het voe­ren van een bedrijfsboekhouding was in die tijd onbekend. Een zekere slordigheid of onverschil­ligheid met betrekking tot geld was hem eigen. Hij was opge­voed in een omgeving waar nooit over geld werd gepraat, niet alleen omdat het niet nodig was, maar ook omdat het niet hoorde. Kortom, hij had van huis uit nooit ieder  dubbeltje  hoeven  om­ draaien en was gewend aan een royale stijl van leven. Het moet in zijn tijd als burge­meester zijn geweest dat het gerucht door Vollenhove ging dat hij zou verhuizen. Het maakte de bevolking zeer ongerust en leidde ertoe dat een aantal inwoners in een verzoek, voorzien van handtekening, bij hem aandrong in Vollenhove te blijven wonen. Later heeft Anton toch nog een huis gekocht in Apeldoorn, maar toen puntje bij paaltje kwam ging de verhuizing niet door.

Anton verdiende zijn spo­ren vooral in de landbouworganisaties. In Overijssel was dat de Overijsselse Maatschappij ter Bevordering van Landbouw, Tuinbouw en Nijverheid; hij was voorzitter van de plaatselijke afdeling. Al sinds 1875 was hij in Drenthe lid van het Genootschap ter Bevordering van de Landbouw. Ook was Anthony mede-oprichter en voorzit­ter van de raad van toezicht van de boerenleenbank Ambt Vollenhove.

Anton is tot 1913 burgemeester geweest. Hij nam onverwachts ontslag nadat hij zich boos had gemaakt over een aanschrijven van de provincie waarmee hij het volstrekt niet eens was. In zijn ambtsperiode werd de nieuwe of buitenhaven aangelegd en ook voltrok hij het huwelijk (1904) tussen Biene Sloet van Marxveld en Frits Roëll, ter gelegenheid waarvan Hare Majesteit de Koningin en Prins Hendrik een bezoek aan Vollenhove brachten. Na de Eerste Wereldoorlog had Anton maar weinig contact meer met de Overijsselse adel. Wel bleef hij lid van de Ridderschap.

Jo van den Santheuvel kwam eens in het jaar logeren; altijd wanneer er aardbeien waren, want daar hield ze zo van. Verder kreeg hij een keer per jaar bezoek van mijnheer Van Westerholt en kwam baron De Vos van Steenwijk genaamd Van Essen uit Windesheim geregeld op de lunch. Die was eigenaar van de restanten van het voormalig huis Tweenijenhuizen bij Vollenhove. Vaak bracht hij zijn zoon Jan Arend of zijn beide dochters met hun vriendinnen mee. Jan Arend had een Franse gouverneur, een jonge graaf. Doelend op de beide jonge freules merkte Anton op: 'nou De Vos, is dat geen lucifer houden bij een hooiberg?'

Op Oldruitenborgh werd eenvoudig gegeten: soep vooraf, een hoofdschotel met meestal rood vlees en wat na. 's Winters werd geregeld snert met een grote schaal worst en spek opgediend. Voor het eten dronk Anton altijd twee glazen witte port en aan tafel twee glazen Moezelwijn. De aangebroken fles werd bewaard in het kelderkastje met zinken bekleding in de eetkamer. In de kelder - eigenlijk meer een souterrain - was een speciale wijnkelder met een tamelijk grote drankvoorraad. Er werd van eenvoudig servies gegeten. De mooie serviezen stonden in verschillende kasten in de vestibule en twee hoekkasten in de biljartkamer. Daaronder was een groot veeldelig Doorniks servies - Stroink  heeft het later uit de boedel gekocht en het is nog familiebezit. Alleen als Anton jarig was kwam het mooie servies uit de kast in de vestibule op tafel. Als gasten kwamen dan de Stroinks en  met zijn vrouw.

Het was gebruikelijk dat de Stroinks 's zondags, nadat ze eerst een wandeling langs de zee - 'de Voorst rond' - hadden gemaakt, bij Anthony gingen theedrinken. Met Stroink sprak hij dan over politiek. Aan het einde van het gesprek en van het bezoek zei de baron altijd iets in de (trant) van: 'hoe zou de keizer daar wel over denken?' of  'wat zouden de mensen in Doorn wel zeggen?'. De Duitse keizer had altijd een rol in zijn leven gespeeld. Hij kende ook veel Duitsers die verbonden waren aan de Duitse Orde, de Balije van Utrecht. Stroink reageerde op die vraag nooit, voor hem was de keizer volstrekt onbelangrijk.

Anton Henri, de vader van Anton, hoorde niet tot de Duitse Orde. Waarschijnlijk daardoor heeft hij de Orde niet dadelijk bericht over de geboorte van Anton, maar zond hij pas enige tijd later een briefje. De vader van Willem van Nagell kondigde de geboorte van zijn zoon telegrafisch aan met het gevolg dat deze, hoewel hij dertien dagen later was geboren dan Anton, eerder werd ingeschreven. Daardoor zou Van Nagell jr. hem altijd een rang voorblijven. In 1918 werd deze landcommandeur, de hoogste rang binnen de orde en werd Anton coadjutor. Eens in het jaar hield de Orde een vergadering in Utrecht. Na afloop was er een diner waarvoor de heren in rokkostuum moesten verschijnen en waarbij de ordetekenen werden gedragen. Anton had een huisknecht die nog maar net in dienst was - waarschijnlijk was het Jan Hofman - aan wie hij opdracht gaf het kostuum klaar te leggen om meegenomen te worden naar Utrecht. De knecht, die ook mee placht te gaan, wist niet wat een heren-rokkostuum was en legde een rok van de barones klaar. Op de vraag wat hij daarmee wilde antwoordde hij: 'ik dacht om in de trein over de benen te leggen, voor als het koud wordt'.

's Morgens zat Anton boven in zijn kantoor, een uitbouw achter aan het huis. Het was een klein kamertje met in het midden een groot schrijfbureau dat het vertrek zowat geheel vulde. Aan de wand hingen links en rechts rekken met degens en sabels, die aan zijn vader en grootvader hadden toebehoord, en tegen de achterwand was een rek met geweren. In de hoek, links achter de bureaustoel, stond een serie zwepen en wandelstokken. Anton ontving in dit kamertje zijn pachters en ook de barbier Piet Room, die hem om de dag kwam scheren en het laatste nieuws vertelde.Hij was dan gekleed in een groene jagersjas en had een roodzijden zakdoek om. Hij dronk tegen twaalf uur een kop bouillon, koffie heeft Frans Stroink hem nooit zien drinken, maar altijd thee, zowel 's middags als  's avonds. Na de middag werd hij geholpen bij het aankleden door de huisknecht, die elke morgen de pakken van opa flink afborstelde. Daarna kwam het rijtuig voor - later de auto - en werd een ritje gemaakt. Steevast ging het naar de boerenleenbank in de Moespot. Anton was voorzitter van de raad van toezicht. De bank was gevestigd in de achterkamer van café Van der Linde. Als Anton met de kassier overlegde bleef kleine Frans achter in de gelagkamer en werd zoet gehouden met een glas ranja en een reep chocola, merk Pette, met binnenin mierzoete crème. De vloer in de gelagkamer was met zand bestrooid in een bepaald patroon. Aangezien Raiffeisenbank voor hem nog wat een moeilijk woord was, sprak hij altijd van 'vensterbank'.

Uit onbekende bron nog deze anekdote: Jaap Rozeboom, ambtenaar, maakte eens een paar oudjes bang door te stellen dat ze hun belasting niet hadden betaald. Nu had hij daar in werkelijkheid niets mee te doen, maar de beide oudjes schrokken danig. Want wan­neer men niet in staat was de belasting te voldoen kon men een soldaat ingekwartierd krijgen en daar was men niet bepaald verzot op. De oudjes beweer­den wel betaald te hebben en Jaap zegde hen toe enige clementie te tonen en na enige dagen terug te keren om een bewijs daarvan te zien. De mensen zetten waarschijnlijk het gehele huis op de kop en vonden uiteindelijk het bewuste papier, waarmee kon worden aangetoond, dat ze wel degelijk aan hun plichten hadden voldaan. Op zekere dag was deze zelfde Jaap met enige kornuiten gesig­naleerd terwijl ze op het stroperspad waren. Jaap wist te ontkomen, maar zijn metgezellen moesten kennis maken met de stok van de baron. Van achter een boom riep Jaap luid: 'Meneer de baron, geef ze mijn portie ook maarl'

In de jaren dat de Stroinks in Steenwijk woonden kwam Anton geregeld op bezoek. Toen hij weer eens naar Vledder wilde, waren bij het bomen kappen bij Frederiksoord enige telefoonpalen mee naar beneden gekomen. De telefoondraden lagen over de weg. Dat had de chauffeur zeker niet gezien, want plotseling was er een hevig tumult doordat een arbeider met zijn voet tussen de draden bekneld was geraakt. De auto stopte en de man werd meegenomen naar de dokter. Anton moest daarvoor de auto uit en heeft toen zeker kou gevat. Hij kreeg longontsteking. Daar was in die tijd niets tegen te doen, en hij overleed een week later op 31 januari 1935.

De be­grafenis van deze markante man had op traditi­onele wijze plaats. De twaalf oudste pachters van boerderijen van de havezate droegen de baron de hele weg door de stad naar de begraafplaats op de Voorst. Daar werd hij niet bijgezet in de familiegrafkelder,  maar begraven  naast zijn vrouw F.M. baronesse Lewe van Middelstum. Bij de teraardebestelling waren naast een groot deel van de Vollenhover bevolking ook diverse men­sen van buiten. Zo waren er de heer en mevrouw baron en baronesse Sloet van Marxveld, Mr. F.H. baron de Vos van Steenwijk van Windesheim, Jon­ker van Westerholt en de burgemeesters van Vol­lenhove, Blokzijl, Hasselt en Steenwijkerwold, als­mede het bestuur van het Waterschap Vollenhove.

In 1918 bezocht de toen al legendarische journalist en schrijver Marie Joseph Brusse Vollenhove. Over de feodale toestanden daar hoorde hij veel, en wijdde er een artikel aan: In ’t stage bewustzijn van z’n grafelijkheid waarin Anthony Sloet figureert.

Naar de herinneringen van A. F. Stroink, Haren (1919-2000) - kleinzoon van Anthony / Anton Sloet. Vader Stroink, Albertus François (1876-1956) trouwde in 1917 met Maria Mechteld Florentina Stroink - baronesse Sloet van Oldruitenborgh (1884-1939), dochter van Anton. Dit stuk is gebaseerd op een publicatie in het huisorgaan van de lJsselakademie (maart 1993) en in  Kondschap (1994).