Het was op 1 september 2015 precies honderd jaar geleden dat de visafslag in Vollenhove werd geopend. Het was een tijd, dat de bevolking van Vollenhove voor tweederde leefde van de vis uit de Zuiderzee. De vissers, kort daarvoor verenigd in vissersbonden met een stem in Den Haag, drongen aan op een visafslag, zoals die ook elders aanwezig was en zorgde voor betere prijzen. Maar het armlastige gemeentebestuur stribbelde behoorlijk tegen.

Er bestond in de beginperiode van de bloeitijd van de visserij al een visafslag. De stadsomroeper was in 1795 verplicht om in de stad bekend te maken dat er vis aan de afslag te koop werd aangeboden. In 1807 werd er zelfs door een associatie een haringafslag opgericht, die evenwel slechts kort bestaan heeft. Mogelijk was deze verbonden met de haring (bokking) rokerij van baron Van Middachten, gevestigd op Aan Zee bij de Kalverenbosch. Uit de aanwezigheid van beide afslagen wordt duidelijk dat de gevangen vis zeker ook in Vollenhove zelf werd verkocht. Dat gebeurde op de Vismarkt, vlakbij de plaats waar de vissers aanlandden en waar zich ook de stadsbrug of steiger bevond waar de veerboten aanlegden.

De vissers uit Vollenhove drongen er in 1912 al bij de burgemeester en wethouders op aan om een visafslag op te richten. Dit omdat er tijdens het spieringseizoen onvoldoende concurrentie bestond tussen de vishandelaren Van Smirren en Van Gulik. Ze werden hiertoe gestimuleerd door het optreden van hun vertegenwoordiger in de Zuiderzeevisscherijraad, opgericht in 1911.
Op 6 april 1913 kwam het onderwerp voor het eerst ter sprake in de gemeenteraad, waar de heren Seidel  en Jongman het verdedigden. In november wordt subsidie aangevraagd bij het ministerie voor de bouw van een visafslag: de gemeente had er het geld niet voor.
H. Smits, een oud-burgemeester die in juli 1913 door de minister was aangesteld als bijzonder opziener der visserij, drong er op 19 januari 1914 bij de gemeente op aan om uit hygiënische overwegingen snel een visafslag op te richten: de vis, vooral bot, werd los gestort op het gras aan de haven, waar hondendrollen zichtbaar aanwezig waren en bovendien kalveren werden geweid. 
De gemeente schrijft dan op 26 januari en 26 maart opnieuw bedelbrieven aan het ministerie, die ze steeds doorstuurt naar de hoofdinspectie in Amsterdam. Het antwoord van daaruit volgt op 4 april: verwacht mag worden dat exploitatie een batig saldo geeft, maar toch hierbij een toezegging voor dekking van een eventueel tekort van maximaal f 500, onder voorwaarden van toezicht op organisatie en controle van de rekeningen. Met verzoek om in te stemmen met die voorwaarden.
De vissers zelf komen op 5 juni in het geweer. Er wordt een brief op poten gestuurd aan de gemeente, met 85 handtekeningen: “In november 1913 is een verzoek gericht aan de inspectie voor subsidie voor de oprichting van een visafslag, omdat de gemeente het niet zou kunnen betalen. Het kan toch niet zo zijn dat één van de belangrijkste havens aan de Zuiderzee de enige is zonder visafslag! Er is nooit een antwoord gekomen. Toch blijkt uit Kamerverslagen dat de minister wel de oprichting wil bevorderen van visafslagen op Schokland en in Vollenhove. Uit de raadsverslagen blijkt echter niet, dat de raad hier verder iets mee doet, terwijl er opnieuw een winter aankomt waarbij door te weinig concurrentie de spiering te weinig opbrengt.” Ze wijzen op de situatie in Hoorn, waar een eenvoudig gebouwtje een goed resultaat oplevert, en stellen dat zo’n visafslag al uitkan bij aanvoer van f 30.000 aan bot, de niet te schatten aanvoer van aal en spiering daargelaten, bij 2% onkosten. Ze willen dat de raad nu met spoed actie gaat ondernemen, temeer omdat tweederde van de bevolking leeft van de vis en het gaat om een vloot met minstens 100 vaartuigen.
Visafslag van Hoorn, voorbeeld voor Schokland en aanvankelijk ook VollenhoveEr volgt kennelijk op 9-6-1914 een brief aan het ministerie, waarop antwoord op 18-6 in de lijn van de brief van de hoofdinspectie, waarbij subsidie pas wordt uitbetaald na controle van de jaarrekening. De verdere afhandeling kan met de hoofdinspectie.

In juli stelt de gemeenteopzichter een begroting op:
- een houten gebouw op stenen fundering, van 8 x 10 m, 3,6 m hoog, met kantoor van 2,67 m x 2,17 m, houten dak met dakvilt, stenen vloer afgewerkt in cement, goot, riool, pomp voor schrobwater, vistafel, banken voor 56 personen en staanplaatsen voor 20 personen = f 1650
- idem in steen: f 2150.
Uitvoering in hout is niet wenselijk. Uitvoering in steen is hygiënischer en uiteindelijk goedkoper.

Het duurde zo tot 28 oktober 1914 dat de raad zich uitsprak voor de oprichting van een afslag. Het oponthoud werd veroorzaakt door een discussie over de rolverdeling gemeente-rijk in de kosten van bouw en exploitatie: de gemeenteraad wilde geen bemoeienis in de exploitatie en wilde subsidie ineens, het rijk wilde alleen exploitatietekorten dekken onder voorwaarde van goede controle. 
De hoofdinspecteur der visserij was van mening, dat de trage besluitvorming een andere oorzaak had. Volgens hem had Van Smirren, die door het overlijden van de burgemeester (Sloet van Oldruitenborgh, 1913) tijdelijk diens ambt had overgenomen de zaak opgehouden, omdat zijn privébelang als handelaar gediend was met het voortbestaan van de situatie.

Gemeenteopzichter M. Mosterdijk, die in juli – op één kantje – een begroting had opgesteld, ging kijken bij de visafslagen van Hoorn en Harderwijk. Hij maakte een uitvoerig verslag met daarbij een soort businessplan:
“De indeling in Harderwijk voldoet goed en zal het uitgangspunt vormen voor mijn voorstel. Of er ook een bergplaats moet komen, voor manden, kisten en eventueel wagens is nog te bezien. Een zolder hiervoor wordt afgeraden vanwege de geur. Aan te raden is voldoende terrein voor eventuele uitbreiding met zo’n bergplaats. Voor alles moet het hygiënisch zijn, waardoor een houten gebouw wordt afgeraden vanwege de vele stijlen en hoeken waar stof en vuil zich ophoopt en lastig te verwijderen is. Bovendien zal al het houtwerk geverfd moeten zijn. Als de afslag bij de havenbrug komt, zal de middagzon de temperatuur doen oplopen. Het onderhoud van een houten gebouw is duurder, en het zal in kortere tijd moeten worden afgeschreven. Verder ben ik bang dat een houten gebouw het zelfde lot treft als de kerkdeuren in de westgevel, en de jonge boompjes dit voorjaar aan de haven geplant. De vernielzucht van enkelen kan door het scherpe toezicht van de politie, het vandalisme niet tegengaan terwijl van het publiek aan de haven thans nog niet veel medewerking in dezen te verwachten is.
Bovenvermelde nadelen heeft een stenen gebouw niet, maar is wel duurder in aanschaf, maar dat mag volgens de volgende berekeningen geen bezwaar zijn.
De aanvoer in het jaar 1913-1914 aan vis bedroeg f 50500, een lage raming. Het aantal kopers is in overleg met B en W geschat op 50. Wordt het gebouw 8 x 10 meter, is het groot genoeg voor banken voor 70 personen, een flink kantoortje met bergplaats, en plek voor een afmijntoestel. De kosten schat ik op f 2000. Grote invloed op de stichtingskosten heeft de aanschaf van een afmijntoestel. Aanschaf is om kwesties te voorkomen en het afslaan vlugger te doen gaan. Zal het laatste voor deze afslag niet van belang zijn, het eerste argument is niet denkbeeldig. De herrie die zich thans bij het mijnen aan de haven voordoet zal zich in de visafslag zeker herhalen wanneer het afslaan op dezelfde manier gebeurt. De bediening van zo’n toestel is zeer eenvoudig, het zal dus gemakkelijk zijn iemand te vinden die het gaat bedienen dan iemand die zelf moet afslaan. Waar de keuze bij de ene ruimer zal zijn dan bij de andere, zal het loon bij de eerste niet zo hoog hoeven te zijn dan bij de andere.
Een omschrijving van zo’n toestel is niet nodig, bijgaande beschrijving van een fabrikant geeft de nodige informatie. Het kost f 1750 voor 50 nummers, elk nummer meer is f 10. De motor kost aan brandstof 6 cent per uur, het vullen van de accumulator kost per twee maanden f 2,50. De totale stichtingskosten zijn dan f 3800, inclusief plaatsing van het afmijntoestel.
Bij afschrijving over 50 jaar en een rente van 4,5 % zijn de kosten f 101,18, voor het afmijntoestel bij 15 jaar f 167,64. De totale exploitatiekosten, inclusief traktementen van f 900 bedragen dan f 1370. De opbrengsten, bij een heffing van 3% en verhuurde zitplaatsen voor f 40, zijn bij de huidige aanvoer dan f 1555. De heffing lager stellen wordt afgeraden, het overschot is nodig om de risico’s af te dekken. Vanwege de geringe diepte voor de haven zal de aanvoer zeker niet hoger worden. Dat kan wel als alle vissers alle vis aan de afslag brengen en niet op zee of aan andere afslagen verkopen. Het is aan hen of de heffing lager kan in de toekomst, en gezien hun eigen verzoeken aan de autoriteiten voor een visafslag moet op hun volle medewerking gerekend kunnen worden.”
Op 18-12-1914 is zijn bestek klaar. Daarin overigens niets meer over het afmijntoestel.

De gemeenteraad besluit dan (verslag op papier van en door G.W. Seidel, lid van de gemeenteraad):
- zo spoedig mogelijke oprichting van een gemeentelijke visafslag op basis van voorliggende, nog nader uit te werken plannen,
- maar alleen met eenmalige subsidie in de vorm van een lening, van 1500 (= 3x toegezegd jaarbedrag) met garantie van de gemeente voor 25 jaar exploitatie, of 1000 bij een garantie van 15 jaar exploitatie.
Dit wordt dan gemeld bij de hoofdinspectie in een brief op 5 januari 1915, met wel 13 bijlagen. In het antwoord op 26-1-1915 van hoofdinspecteur Jansens - 7 geschreven kantjes! – staan tips om verplichte aanvoer via de visafslag te regelen, maar vooral een aansporing om te kiezen voor een goedkoper gebouw, bijvoorbeeld van hout, en zonder zitplaatsen. Hij wijst nog eens op positieve exploitatieresultaten elders.
“Subsidie zou dus feitelijk onnodig zijn, maar toch aangeboden omdat bij de slechte financiële toestand van de gemeente de neiging is om geen risico’s te nemen in het belang van vissers. De voorwaarden zijn gesteld om te voorkomen dat men bij de exploitatie de normale regels van zuinigheid niet in acht zou nemen, met een controle zodat er door oneerlijkheid van het personeel geen tekort kan ontstaan. Toen opnieuw een verzoek tot subsidie ineens werd gevraagd is dit afgewezen met de brief van 21 oktober 1914, maar tevens het aanbod voor aanzuivering van eventueel exploitatietekort werd verhoogd naar f 750 per jaar, ook voor rente, onderhoud en afschrijving van het gebouw. In een gesprek met de burgemeester heb ik geadviseerd te beginnen met een zeer eenvoudig gebouwtje. In Hoorn bijvoorbeeld, waar de omzet evenveel is als in Vollenhove, is een eenvoudige afslag van hout, 7 x 4 meter, opgericht voor f 650 maar zonder kantoortje.”
Fijntjes wordt gewezen op het wantrouwen tegen bemoeienis van rijk cq inspectie.

Uit het verslag in de krant van de gemeenteraadsvergadering van 25 februari 1915:
Afwezig waren De Lange en Van Smirren. Jongman wenst zijn nadere toelichting tegen het besluit van de meerderheid nader uiteen te zetten en wil het ook genotuleerd zien: hij heeft gesproken met Tweede Kamerlid Duymar van Twist, hoofdinspecteur visserijen Bottemanne en inspecteur Jansens om een subsidie te krijgen in de ruimste zin voor een visafslag, waartoe de minister blijkbaar ook bereid was. Seidel beschuldigt Jongman er kennelijk van iets geregeld te hebben waardoor het geen subsidie ineens is. Dit wordt tegengesproken door voornoemde personen. Burgemeester Sloet van Marxveld besloot de brieven van de minister terzijde te leggen, en Soeters stelt met dwarskijkerij van het rijk niets te maken te willen hebben. Om nu bakzeil te halen, zoals in het voorstel ligt opgesloten, en opnieuw aan de minister hulp te vragen, past niet bij het gevoel van de spreker, maar hij heeft in het belang van de gemeente zijn stem aan het voorstel gegeven. Hij noemt ook nog dat in het voorstel van de minister 10% van de bouwkosten was inbegrepen, maar Seidel bestrijdt dat. Jongman verzoekt om dit nogmaals helder te krijgen.
De voorzitter komt nog terug op het bedrag van de lening van f 1500 voor de visafslag, omdat rente en aflossing niet zijn bepaald. In het door de gemeenteopzichter ingediende plan zou een stenen gebouw, exclusief de banken – die de gemeenteraad geschrapt heeft – al f 1670 kosten. 
Seidel vindt dat het best kan voor f 1500, mits de quenast vloer wordt geschrapt, en er verder ook nog wat wordt geschrapt – maar de voorzitter wijst op de sinds 21-12-14, toen de begroting is gemaakt, gestegen houtprijs. Seidel stelt opnieuw dat het stenen gebouw wel voor f 1500 kan, een houten alternatief zou nu wel f 1200 kosten. Sloet van Marxveld denkt dat de kosten wel uit de baten zijn op te brengen, waarop de voorzitter vraagt: en als er nu geen baten zijn? Seidel stelt dat de kosten uit de gewone inkomsten bestreden moeten worden – en aldus wordt besloten, met een aflossing van f 70 per jaar.

Conclusie: er wordt enorm gegoocheld met de kosten. Op de één of andere manier wordt vastgehouden aan de afmetingen van 8 x 10 meter die Mosterdijk al in juli – ruim vóór zijn bezoek aan Harderwijk – heeft bepaald, maar zijn inschatting van de kosten wordt van f 2150 in juli via f 2000 in november bijgesteld naar f 1650 in januari, en zelfs naar f 1480 in maart. De vijf banken zijn in het bestek geschrapt, de pomp ook, de vloer is eenvoudig, met klinkers op de platte kant – in plaats van natuursteen, in het kantoortje van hout. Het onderhoud van het dak is voor een periode van 3 jaar inbegrepen. Er is een schoorsteen (voor de verwarming kennelijk, maar ik lees niets over een kachel). De visbak is 1m50 x 0m80 en 16 cm diep, bekleed met zink, op 2 schragen.

Andere visafslagen: in Urk was die er al in 1906, Enkhuizen 1907 (eerst van hout, in 1913 van steen), Hoorn 1913,. Harderwijk 1913 – men wil hem nu herbouwen. De visafslag op Schokland wordt – als eenvoudig houten gebouwtje -ook in 1915 gebouwd, de visafslag van Elburg is klaar in december van dat jaar.

Bij de openbare aanbesteding (7 april 1915) doen zes aannemers(combinaties) mee, die de bouw (excl. grondwerk) aanbieden voor f 1397 tot f 1540. De Vollenhovenaren gebr. Dragt, R. van de Vecht, J. de Lange (met J. Weijs) en dan de gebr. Weijs en nog een Geuje Weijs ontlopen elkaar maar 61 gulden, Harm Schurink uit Zwartsluis ligt daar nog ruim 83 gulden onder en krijgt het werk. Hij doet het kennelijk goed, want op tijd wordt de visafslag in gebruik genomen – op 1 september 1914, en de gemeenteopziener is er tevreden over. 
Uit foto’s blijkt, dat de visafslag volgens de tekening gespiegeld is gebouwd: de op de tekening aangegeven ‘oostelijke gevel’ blijkt later de westgevel. Het kantoor, 3m x 2m70 groot, bevindt zich in de noordwestelijke hoek. Vanuit de ramen had de keurmeester / afslager dus zowel de buitenhaven als de binnenhaven in het oog, binnenkomende schepen langs de baak waren direct in het vizier. Blijkens de foto’s vormde de visafslag, met name de westelijke gevel, een hangplek voor jong en oud, zoals ook de havenbrug met hekwerk.

Peter Spit (geb. 1858) was de eerste keuringmeester en afslager. Hij was, evenals zijn medewerker Gerrit Jan IJspeert (geb. 1852) die ‘teller’ was, aan de vooravond van de opening officieel beëdigd door de locoburgemeester. 
Zodra een visser met vis kwam luidde Peter de bel om de visventers en visbedrijven te waarschuwen. Hij schatte op het oog de kwaliteit en daarmee de prijs, en zette in. Als men ‘mien’ riep was de vis verkocht. Peter nam het geld in ontvangst voor de visser en hield een deel voor afdracht aan de gemeente-ontvanger op het stadhuis. In 1920 vroeg en kreeg hij, om zijn pensioen veilig te stellen, een vaste aanstelling van de gemeente, als directeur voor f 600 per jaar evenals afslager IJspeert voor f 425 per jaar. De functies waren kennelijk al opgewaardeerd en herverdeeld!

De ‘walvissers’ met bolletjes, pluten en kleine bonzen (zie: Types vissersschepen) losten dagelijks hun vangsten in Vollenhove. Dit in tegenstelling tot de grotere schepen, die alleen in de weekeinden in de haven kwamen. Tot 1931 visten de botters en de grote bonzen tot de paasdagen met de haringgreepnetten. In april en mei visten ze met een beug staande netten op ansjovis. Dit gebeurde vaak in de omgeving van Medemblik. Later voerde men de ansjovis ook aan in Urk. De grote schepen gingen ook botslepen. Dat gebeurde in span, met op elk schip twee man. In de week losten de botslepers aan de zuidwal of bij viskopers op zee. Op vrijdagavond werd de laatste vangst in Vollenhove aangevoerd. De levende bot werd dan vanuit het schip op de walkant gegooid.
Als de vloot bollen, schokkers, aken of zeepunters ’s middags was afgemeerd laadde de bemanning de gevangen vis in wilgenmanden en bracht het naar de afslag. Er werd vooral aangeleverd op vrijdag en zaterdag.
Bij de visafslag luidde men dan de bel om de viskopers te waarschuwen. 
‘s Zomers waren er zo'n 80 tot 100 visventers uit Stad en Ambt. Zij kochten zo'n 20 tot 50 kilogram bot. Die werd dan per fiets, kruiwagen of hondenkar naar de steden en dorpen in de wijde omgeving gebracht.

De visafslag in 1940Op 14-2-1917 waarschuwt de inspectie de gemeente, dat er gepoogd wordt de visafslag te ondermijnen. Er is dan nog maar één koper voor spiering, en die dreigt vissers uit te sluiten die via de afslag willen verkopen. De inspectie geeft aan hoe dit met reglementen te voorkomen, en vraagt te antwoorden hoe men het heeft opgelost.

Er kwamen soms gigantische visvangsten voor. In 1925 bijvoorbeeld vindt men in de krantenartikelen veel over deze overvloed aan vis. De haringprijzen daalden tot zo'n 29 centen per tal. In die tijd was een prijs van ¾ cent per haring gebruikelijk, nu daalde die zelfs tot één zevende van een cent. Meestal kwam er een prijsdaling voor tussen Pasen en Pinksteren, maar in 1925 kwam die al voor Pasen.
Bij zo’n overschot en dus onverkoopbare haring kwam stadsboer Roebers, bijgenaamd “de Scheuper" met paard en wagen de haring ophalen aan de haven. De karrenvracht werd over het land uitgereden als bemesting.
Uit het “Nieuws en Advertentieblad" van donderdag 8 januari 1925: “De aanvoer aan de gemeentelijke visafslag te Vollenhove in de afgelopen week: er werd 22.022 kg spiering aangevoerd, waarvan de prijs varieerde tussen de vier en tien cent per kilogram.”

Na de afsluiting van de Zuiderzee, vingen de vissers op het langzaam zoeter wordende IJsselmeer aanvankelijk steeds minder vis. Haring, ansjovis en garnalen werden sedert 1933 niet meer gevangen. De aanvoer van bot was na 1934 en die van spiering na 1936 niet meer van betekenis. Alleen paling werd volop gevangen en in Vollenhove namen de aangevoerde hoeveelheden met het jaar toe. Paling werd voor de IJsselmeervissers de belangrijkste vissoort en de nog aanwezige visindustrie richtte zich na 1932 dan ook op het roken van en de handel in paling. De vermindering van de vangsten duurde tot 1935/1936, waarna zich weer een biologisch evenwicht ontwikkelde. De vangsten namen weer toe onder andere door de toename van het snoekbaarsbestand.
In 1938 werd op aandringen van de inspectie er door de gemeente nog eens nadrukkelijk op gewezen dat alleen via de visafslag vis mocht worden verkocht. Er wordt dan nogmaals gewaarschuwd dat er ook streng op de bepaling zal worden toegezien. De bepaling geldt niet voor ‘nest’ (bijvangst, veel jonge vis).

Na de inpoldering van de Noordoostpolder verminderden de visserijactiviteiten sterk. De visafslag werd per 1 januari 1942 opgeheven.
Het gebouw van de afslag is van 1939 tot 1947 gebruikt voor de uitgifte van distributiebonnen, en verder nog korte tijd gebruikt door een mattenfabriek. In 1955 werd het verbouwd tot twee woningen (met adres Haven 27a en 27b), tot een brand ook aan deze functie een einde maakte. De afslag is afgebroken in 1962.

De oude ijs- en ansjoviskelder, die nog jaren als opslag dienst deed, is bij de ombouw van de binnenhaven naar jachthaven gerestaureerd (gereed in 1994). Op de plaats van de visafslag staat nu een beeld ter herinnering aan de barre tocht van de Durgerdammer vissers over de bevroren Zuiderzee in 1849.