Schouten in de 14e en 15e eeuw (voorlopers van de drosten):

De schouten werden ook wel ambtman, later drost, genoemd en werden steeds gekozen uit aanzienlijke Overijsselse adellijke families. 

Bisschop Guy benoemt in 1313 een nieuwe kastelein, die op het castrum (kasteel) wil wonen. Hij geeft aan een zekere Hermannus Vleisch, schout van Vollenhoven, en aan zijn mannelijk nageslacht een stuk grond direct bij het slot als burgleen: 'unam aream pro domo construenda in eadem ad domicilium suum habendum in suburbio ipsius castri ... quindecim libras nigrorum Turonensium aanuatim de gruta Campensi percipiendas, in feudum castrense'.

Johan Redinc, geboren rond 1270, was miles, ridder, en wordt in 1324-1329 genoemd als schout en rentmeester van Vollenhove. In dienst van de Utrechtse bisschop werd hij als zodanig aangesteld met ingang van 4 juli 1324 voor een periode van vier jaar en nog vermeld 18 augustus 1329. Zijn laatste rekening als rentmeester werd goedgekeurd op 21 oktober 1329, waarbij hij vermeld wordt als 'vroeger' schout en rentmeester van Vollenhove.

Egbert Haec van den Rutenberg wordt genoemd als schulte van Vollenhove in 1382 en 1397.

Bij de stichting van de Mariakerk wordt genoemd op 12 januari 1402 Ghert Borre als schout te Vollenhove.

Pelgrim van den Rutenberg, waarnaar de havezate Oldruitenborgh genoemd is, was drost en rentmeester in 1413.

In 1465 promoveerde Evert Kruse, kastelein van Kuinre, afkomstig uit Kampen; tot kastelein, schout en rentmeester van Vollenhove. Kastelein was hij van het bisschoppelijk slot in de stad Vollenhove, maar zijn schout- en rentmeestersambt oefende hij uit in het gehele Land van Vollenhove. Eind 1468 of begin 1469 is Evert Kruse overleden. De bisschop benoemde op 3 februari 1469 zijn zoon Herman Kruse tot schout en rentmeester, echter met de voorwaarde dat hij geen besluiten mocht nemen zonder voorkennis van Gerrit van IJsselmuiden. De benoeming had een zeer tijdelijk karakter, want al op 1 oktober van dat jaar1469 stelde de bisschop Roelof van Bevervoerde aan tot kastelein, schout en rentmeester.

Dan de drosten:

in 1551         Harmen van Westerholte
?-1567        Jan Sloet (de oude), ook in 1578
1579-           Jan Sloet (de jonge)
1611-1619   Johan van Echten de Oude 
1619            Johan van Raesfelt tot Twickelo 
1638            Wolf Bentinck 
1639            Hiddo van Voorst 
1644-1671  Johan van Isselmuden tot de Rollecate 
1672            Lambert Bernard van Oer, heer van Zalk 
1674            Johan Sloet tot Tweenijenhuisen 
1675            Hendrik Bentinck tot Diepenheim 
1682            Unico Ripperda tot Weldam en Olidam 
1692-1701   Anthony van Haersolte tot Elsen 
1701-1705   Adolf Hendrik van Rechteren, heer van Almelo 
1706-1710   Borchard Joost van Welvelde, heer van Zalk 
1712-1728   Arend Herman Sloet tot Tweenijenhuisen 
1729-1730   Willem van Haersolte tot Elsen 
1731-1732   Wolter Johan van Haersolte tot de Oldenhof 
1733-1751   Hendrik van Isselmuden tot Zwollingerkamp 
1751-1779   Jan Arend Godert de Vos van Steenwijk tot Nijerwal 
1779-1786   Derk Bentinck tot Diepenheim 
1786-1790   Arend van Raesfelt tot Elsen sr. 
1790-1795   Coenraad Willem van Dedem tot den Berg 
1795-1805   Reint Wolter Sloet tot Marxveld 
1805-1811   Mr. David Thomassen à Thuessink

Een eerste - op schrift gestelde - verwijzing naar een schout treft men aan in het archief van de Abdij Dikninge. In 1176 is er sprake van Johannes, schout van Vollenhove. Deze aanduiding stond in de 13e en 14e eeuw voor wat men in later tijd drost zou gaan noemen. Deze, door de landsheer aangestelde ambtman reisde vermoedelijk tot de 14e eeuw rond in zijn ambtsgebied om recht te spreken. Men verondersteld dat de indeling van de rechtsgebieden gebaseerd is op de parochiale indeling, de kerspels, die waarschijnlijk al voor de 13e eeuw het ressort van een gerecht waren.

In de loop van de 14e eeuw liet de drost deze kerspelrechtspraak over aan een, aanvankelijk door hem en later door de bisschop aangestelde, ondergeschikte ambtenaar. De naam "schout" ging op deze ambtenaar over. Deze ambtenaar bleef onder het toezicht van de drost en was vóór 1600 in principe competent in alle voluntaire en voor een groot deel in contentieuse zaken. Deze competentie oefende hij voor een deel met en voor een deel naast de drost uit, die overigens weinig gebruik maakte van zijn bevoegdheden. Rond 1600 veranderde dit. Als gevolg van de opstand en de reformatie kreeg de drost na 1578 de bevoegdheden van de geestelijk rechtspraak inzake huwelijkskwesties, geloofszaken en woeker overgedragen. Vervolgens nam de drost de behandeling van bezitsgeschillen in eigen hand en breidde hij zijn werkzaamheden uit tot kwesties inzake voogdij en nalatenschap. De competentie van de drost nam dus, voor een deel ten koste van de werkzaamheden van de schout, toe.
Deze tweedeling in de rechtspraak het onderscheid tussen de hoge en de lage jurisdictie bleef min of meer in stand tot 1 maart 1811. Op deze datum werden de bestaande rechterlijke instellingen opgeheven en werden hun taken overgenomen door hun rechtsopvolgers.

Het landrecht van 1630 geeft richtlijnen en kwalificaties voor de aanstelling van een drost. In de praktijk waren drosten afkomstig uit de Ridderschap. De belangrijkste functionarissen waren de drost en zijn twee "assessoren" (bijzitters). Bovendien was de drost bevoegd zijn eigen secretaris, de fiscaal, aan te nemen en te beëdigen.
De bestuurlijke indeling van het Drostambt Vollenhove zag er in de 17e en 18e eeuw als volgt uit: Giethoorn; Kuinre en Blankenham; Oldemarkt, Paaslo en IJsselham; Steenwijk; Vollenhove en Blokzijl en Wanneperveen.