Op school leerden we vroeger over de Tachtigjarige Oorlog. Die begon in 1568, met de Slag bij Heiligerlee. Dat jaartal kon iedereen onthouden, de rest zal vervaagd zijn. Verder wist je dat 1 april verbonden was met Den Briel, veroverd door de Watergeuzen. Dit jaar is dat 450 jaar geleden en het wordt feestelijk herdacht.

De Opstand, zoals de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) tegenwoordig wordt genoemd, betekende in Holland en Zeeland het begin van de vrijheid, een omwenteling ten goede op bestuurlijk en economisch gebied. Maar wat gebeurde er hier?

Voor de stad Vollenhove betekende het vrijwel onmiddellijk het einde van de eeuwenlange rol als bestuurscentrum. Nadat van hieruit het Oversticht - dat was Overijssel, Drenthe en een deel van Groningen - was bestuurd onder leiding van de bisschoppen van Utrecht, koos de eerste stadhouder Vollenhove als woonplaats en bestuurde vanaf de Toutenburg zijn gebied, tot Lingen aan toe (nu Duitsland).

Niet toevallig, want Georg Schenck – over wie het hier gaat – was drost geweest van het Land van Vollenhove en woonde toen in Vollenhove, in de Bisschopstraat. In 1548 kwam stadhouder Aremberg uit het zuiden en betrok met zijn gezin het Oldehuis. Daarvoor moest wel de toenmalige bewoner, drost Jan Sloet, verhuizen. Die viel in 1567 in ongenade bij koning Filips II.  In feite begon in dat jaar al de opstand, ingegeven door hervormingen in belasting en bisdommen, aangewakkerd door de reformatie en uiting gegeven in de Beeldenstorm. Sloet sloot zich aan bij de Geuzen die uitweken naar Engeland en Emden.

Stadhouder Aremberg

Stadhouder Aremberg (hiernaast zijn portret) kreeg in 1568 opdracht van zijn nieuwe baas Alva om naar Groningen te trekken, waar Adolf van Nassau met een leger vanuit Duitsland voor de poorten stond en het kasteeltje bij Wedde, eigendom van Aremberg, al had ingenomen. Bij Heiligerlee kwam het tot een treffen waarbij beide aanvoerders sneuvelden. Een tweede veldslag, kort daarna even verderop waarin Alva zelf voorging, werd door de Geuzen verloren. In het noorden keerde de rust terug, in onze omgeving gebeurde er niets. Maar een stadhouder kwam er niet meer terug in Vollenhove.

De rust duurde tot 1572, toen de Watergeuzen terugkeerden uit ballingschap en Den Briel veroverden. Vrij snel daarna veroverden ze ook Vlissingen en Enkhuizen, waardoor ze oppermachtig werden op het water in Zeeland en op de Zuiderzee. In de tweede helft van juli 1572 probeerden de Geuzen de kustweg van Overijssel naar Friesland in handen te krijgen. De eerste poging mislukte, maar een paar dagen later lukte het de stad Vollenhove en het kasteel Toutenburg te bezetten, waarna zij ook Blokzijl veroverden. Ze plunderen de Grote Kerk en namen het kerkzilver mee.  Ook namen ze de pastoor en de kapelaan van Vollenhove mee op hun terugtocht over zee. De Waalse soldaten van stadhouder Caspar de Robles wisten echter Blokzijl en Vollenhove op de Geuzen te heroveren.

In de zomer viel graaf Willem van den Berg, een zwager van Willem van Oranje, Overijssel binnen en belegerde Kampen. Vanwege zijn mooie beloften opende het stadsbestuur de poorten. Ook Zwolle gaf zich zonder slag of stoot over. Hasselt, Genemuiden, Meppel en Steenwijk werden ingenomen zodat de hele streek was ‘bevrijd’.  Al in november moest Van den Berg wijken voor het oprukkende Spaanse leger. In de korte tijd van zijn verblijf in Overijssel had deze rebel, zoals zijn tegenstanders hem noemden, kerken en kloosters geplunderd en katholieke overheidsdienaren ontslagen. Het ongedisciplineerde gedrag van de graaf en zijn soldaten maakte de ‘Staatse’ (naar: Staten-Generaal) troepen niet erg populair bij de bevolking. Overijssel keerde gedwee terug in het Spaanse kamp.

Kampen kreeg een bezetting opgelegd van 500 Duitse ruiters. Veel burgers vertrokken naar elders omdat alle handel en nering stilstond, en zij de kosten voor het garnizoen moesten betalen. Mogelijk behoorden hiertoe ook leden van de katholieke adellijke families Morrhe en Uiterwijck, die zich in Vollenhove vestigden.

Zes jaar later, op 20 juli 1578, werd Kampen opnieuw ingenomen door de Geuzen, die toen onderdeel waren van het Staatse leger o.l.v. de graaf van Rennenberg, stadhouder in Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel. Daarbij was ook Jan Sloet, formeel nog steeds drost van Vollenhove. Hij werd nadat de troepen doortrokken naar Deventer de militair commandant van Kampen. Op 2 en 3 september 1578 was hij even in Vollenhove, waar onder zijn ogen door enkele Geuzen een mini-beeldenstorm werd uitgevoerd.

In maart 1580 koos Rennenberg alsnog de kant van de Spaanse koning, overgehaald door enkele katholieke en gezagsgetrouwe edelen onder wie vermoedelijk ook Hendrik Hagen uit Vollenhove. Door alert reageren van de latere Friese stadhouder Willem Lodewijk van Nassau (1560-1620) bleven de gebieden onder bestuur van Rennenberg echter Staats. Door slechte bevelvoering aan de zijde van de Opstandelingen kreeg Rennenberg na enige tijd nog wel Groningen, Drenthe en een groot deel van Overijssel in zijn macht. Zijn poging om zich ook van Steenwijk meester te maken, mislukte toen gelukkig. Daarmee bleef het Land van Vollenhove voor de Opstandelingen voorlopig behouden.

De belegering van Steenwijk, prent van Jan Luyken. Nu Amst. Hist. Museum

Maar op 18 oktober 1580 verscheen Rennenberg voor de poorten van Steenwijk om de toegangsweg naar Friesland in handen te krijgen. Vijf dagen later had hij Kuinre al ingenomen.

Diezelfde ochtend had verdediger Van den Kornput, die pas een dag daarvoor zijn collega Olthoff in Steenwijk te hulp was geschoten, gelukkig nog hulp gekregen van twee vendels soldaten uit Vollenhove – dat waarschijnlijk onverdedigd achterbleef. Een vendel, nu heet dat een compagnie, was een legereenheid van 100-150 soldaten onder leiding van een hopman (tegenwoordig kapitein).

Voor het ontzetten van Steenwijk werden Staatse troepen in Zwartsluis gelegerd en verder zes vendels in het klooster op de Sint Janskamp. Rennenberg wilde zich ontdoen van dit gevaar in zijn rug en ging op 17 november 1580 over tot een snelle actie tegen die troepen. Hij begon de aanval met kanonvuur en rukte toen op met zijn soldaten. De bezetting van het klooster kon de aanvallers eerst tegenhouden, maar moest het toch opgeven. De bezetting van Zwartsluis maakte zich, na het dorp in brand te hebben gestoken, over het Zwarte Water uit de voeten.

Diederik Sonoy, gouverneur van Noord-Holland, was begin 1580 op die plaats met de aanleg van een schans begonnen op verzoek van Friese calvinisten en met medeweten van zowel de Prins van Oranje als de Drost van Vollenhove, Jan SIoet - maar tegen de zin van Overijssel. Het werk ging traag want een paar maand later wilde ook de Staatse opperbevelhebber, de graaf van Hohenlohe, Zwartsluis versterken.

In december 1580 vestigde de Engelse overste Norris zich met voldoende troepen in Zwartsluis en ondernam een nieuwe poging Steenwijk te ontzetten. Vanuit die plaats werd hem aangeraden Blokzijl in te nemen. Men kon dan met behulp van de daar aanwezige sluis het omliggende land onder water zetten zodat met kleine boten Steenwijk bereikt kon worden. Pas in januari 1581 veroverde Sonoy Blokzijl, waar hij heel snel een schans bouwde. In de weken hierna was het ontzettingsleger in Giethoorn, dat in brand werd gestoken om de troepen van Rennenberg te verdrijven.

Desperate pogingen van Norris om Steenwijk te ontzetten mislukten, omdat zijn troepen niet opgewassen waren tegen die van Rennenberg. Uiteindelijk moest hij zijn tot wanorde vervallen leger weer terugtrekken op Blokzijl. Vandaar trok hij met zijn leger naar Sint Jansklooster, waar hij op 24 januari door Rennenberg belegerd werd. Drie dagen lang werd er fel gevochten in en rond het klooster, waarbij Rennenberg twee kanonnen inzette. Door de komst van nieuwe Staatse versterkingen in Blokzijl moest Rennenberg de strijd staken. Op de terugtocht naar Steenwijk brandden Rennenbergs troepen alles in Giethoorn plat dat er nog over was gebleven, om te voorkomen dat Norris er opnieuw zou legeren. Blokzijl werd steeds meer het aanvoerpunt van troepen en voorraden voor het ontzettingsleger. De strijd verplaatste zich richting Steenwijk zelf.

Kaart van Jan Vos uit 1597, getekend op basis van herinneringen (het klooster linksboven was al verwoest) en naar horen zeggen (de schans Blokzijl, linksonder).

Het was nu de stad Vollenhove die de last van de 28 vendels op zich kreeg, zo’n 1800 man. Beide burchten in Vollenhove, het Oldehuis (ooit bestuurscentrum van de bisschoppen van Utrecht, later verblijfplaats van stadhouder en drost) en Toutenburg (toen niet meer bewoond)  waren bezet door troepen van Rennenberg. Het lukte Sonoy echter beide "door verdrag" in te nemen. Wellicht kwam er wat dreiging aan te pas van scheepskanonnen: op de hoek van de Heilige Geeststeeg en de Kerkstraat kwam in 2014 een kanonskogel uit de grond, een ‘Staatse’ 12-ponder die mogelijk een 500 meter verderop was afgevuurd richting het onderkomen van de stadswacht. Dat ‘Vosken’ bevond zich vermoedelijk bij de toegang tot de stad vanuit zee, waar pas later een aanlegsteiger werd gebouwd waar alle schepen met enige diepgang konden aanmeren. Tot die tijd moest men ‘op de rede’ blijven liggen.

Toutenburg wisselde op 28 en het Olde Huys op 31 januari van bezetter. Ook nu werd er weer vernield en geplunderd. Het torenuurwerk verdween over zee, en de Schokkers op Emmeloord misten hun klok. In juli gingen ze verhaal halen in Medemblik maar kregen alleen een vergoeding. Zowel klok als torenuurwerk belandden in de jaren daarna in het nabijgelegen Lambertschaag, waar ze nu nog hangen in het Groene Kerkje.

Na het ontzet van Steenwijk wist men in maart ook Kuinre in te nemen.  Zo werden de Opstandelingen meester van het Land van Vollenhove, ten koste van veel mensenlevens en grote materiële verliezen. In het begin van het beleg was Rennenberg de baas in Zwartsluis, Vollenhove, Blokzijl en Kuinre. Al deze plaatsen stonden nu weer onder gezag van de Staten-Generaal.

De troepen van Norris, die de beide burchten in Vollenhove in bezit hadden genomen na het vertrek van Sonoy, ontruimden deze in juni 1581. De bewaring van de Toutenburg werd daarna aan de burgers van Vollenhove overgelaten, "met eenen vanden Adel als hooft". Het kasteel, op dat moment vooral bestaande uit een complex van drie woonhuizen, werd toegewezen aan de drie broers Van den Boetzelaer, familie van Schenck. Ze namen er vermoedelijk in 1585 hun intrek.

In de nacht van 22 op 23 februari 1581 had Rennenberg het beleg van Steenwijk opgeheven en was in stilte weggetrokken. Op 29 maart kregen de Staten het verzoek van Steenwijk om hulp bij het herstel van de geleden oorlogsschade te verlenen. Op 13 april werd besloten dat Steenwijk gebruik mocht maken van de restanten van het klooster Sint Janskamp onder de restrictie, dat er voldoende materialen overbleven voor twee of drie boerderijen. De drost van Vollenhove zou op de afbraak en opbouw moeten toezien.

Waar de kloosterbroeders intussen gebleven waren is niet duidelijk. De zusters van Clarenberg bij Vollenhove waren naar Zwolle gevlucht. Hun goederen waren onbeheerd, en dat kon niet lang zo blijven. In april 1581 bleek hun boerderij Den Duerganck al verkocht, waarbij de opbrengst naar de Staten ging. Op 26 april 1581 benoemden de Staten een rentmeester voor de kloostergoederen van Sint Janskamp en Clarenberg. De kloosterlingen keerden terug, maar waar moesten zij nu verder van leven? De broeders van Sint Janskamp wendden zich tot de Staten. De drost van Vollenhove kreeg opdracht om samen met de aangestelde rentmeester en de procurator van Sint Janskamp alle achterstallige pachten en renten in te vorderen en deze gelden te besteden voor  het levensonderhoud van de kloosterlingen, eventueel aan te vullen met een hypotheek. 

De Toutenburg volgens De Haan in 1722.

Het gevaar in de streek was nog niet geweken. Op 16 november 1582 werd Steenwijk bij verrassing ingenomen door de Spaanse troepen. Dat had grote gevolgen voor de belastingopbrengsten van de streek, die toen niet meer naar de Staatse stadhouder in Friesland gingen.

Vanaf dat moment liep de grens tussen Staats en Spaans gebied ergens tussen Steenwijk en de Zuiderzeekust. In feite konden de Staten-Generaal hier alleen beschikken over de weg, die over de Zuiderzeedijk van Zwartsluis via Vollenhove en Blokzijl naar Kuinre voerde. Maar ook deze route werd doorlopend door de vijand bedreigd. Het was een wankel maar belangrijk bezit, daar het op dat moment de enige landverbinding van Friesland met Overijssel vormde. Minstens zo belangrijk was, dat het de mogelijkheid bood de vijand te verhinderen de Zuiderzee te bereiken. Als de vijand toegang kreeg tot de Zuiderzee kon hij de Hollandse handel bedreigen. Holland had ook belang bij de aanvoer van turf uit het Land van Vollenhove. Daarom hechtten Friesland en Holland veel waarde aan het vasthouden van deze "grens" en beide lieten zich dan ook in de nu komende jaren met het Land van Vollenhove in.

De afgeloste bezetting van Kuinre ging naar Zwolle en evenals de nieuwe troepen overnachtten zij in Vollenhove: rekening 80 ponden. Jonkheer kolonel Wigbold II van Ewsum (1520-1584), de Heer van Nienoord vertoefde ruim een maand met zijn Groningse regiment in Vollenhove: rekening 24.500 ponden. Om hem tot vertrek te bewegen was nog eens een bedrag van 683 ponden nodig. Daarnaast was er nog de schade van wat er bij de burgerij gestolen was. Jaren later nog werd gememoreerd, dat vooral door deze Heer van

Nienoord de welstand van Vollenhove behoorlijk verpest was.

Wat de invloed van het oorlogsgebeuren verder op het openbare leven is geweest in Vollenhove is  moeilijk te achterhalen. In 1583 en 1584 is niets vastgelegd over de rechtspraak door het gemeentebestuur. Tussen 1582 en 1584 vestigden zich er meer burgers dan normaal.

Drost Jan Sloet had na zijn terugkeer uit ballingschap grote invloed in Vollenhove bij de Reformatie, zoals de aanstelling van een dominee. Jan Sloet de Oude (Vollenhove, 1519 – Kampen, 1597) was in 1549 getrouwd met Everdina de Vos van Steenwijk (1520 - 1592). Als bruidschat kreeg zij havezate Benthuis mee. Jan Sloet was een jongere broer van Arent Sloet (1510-1570), sinds 1551 heer van Tweenijenhuizen. Hun ouders waren Jan Sloet (1460-1540) van Tweenijenhuizen en Mechteld van Apeldoren (1480-1567). Broer Barthold Sloet bezat het Oldhuis. Sloet werd als drost in 1590 opgevolgd door zijn zoon Jan Sloet de Jonge.

Het Oldehuis met omringende muur

In Vollenhove werden geen troepen gelegerd, maar de stad bracht zelf een burgervendel op de been. De stad was niet versterkt en de beide burchten waren door het vernielen van de muren militair gezien niet meer van belang. Als gevolg van zijn open karakter moest Vollenhove aan beide partijen 60 carolusgulden per maand afdragen – en dat kon zo maar meer worden. Een gevolg was ook dat er meermalen   troepen doorheen trokken, en dat groepjes soldaten overvallen pleegden.

De riddermatigen of jonkers  weigerden bij te dragen in de opgelegde contributies, vooral die van de nieuwe Spaanse stadhouder Verdugo. Ze beriepen zich op de door hem verleende ‘sauvegarden’ (vrijstellingsbrieven). Het stadsbestuur wilde niet alleen voor de kosten opdraaien, en kreeg gelijk van drost Jan Sloet de Oude.

Het Land van Vollenhove was vanaf 1582 het toneel geworden van een guerrilla. Rondzwervende Spaanse troepen brachten vernielingen aan in Genemuiden en in de polder Mastenbroek. Hun bewegingsvrijheid werd in 1585 danig ingeperkt doordat de Friese Staatse stadhouder Willem Lodewijk Slijkenburg en Oldemarkt innam.

Van grootscheepse militaire operaties was tot 1592, toen Steenwijk door de Staatsen heroverd werd, gelukkig geen sprake meer.

De bevolking had sterk onder beide strijdende partijen te lijden. Zo besloten de Staten-Generaal op zeker moment over te gaan tot de tactiek van verschroeide aarde. Door het platbranden van akkers wilde men voedselschaarste voor Spaanse troepen creëren.

De streek werd een politieke speelbal tussen Overijssel, Friesland en vooral Holland. Formeel hoorde het Land van Vollenhove bij Overijssel, maar dat was grotendeels in handen van Spanje. Friesland wilde een bufferzone in de vorm van (delen van) Groningen, Drenthe en de Kop. Holland wilde Overijssel en Gelderland als bolwerk, en met name het Land van Vollenhove was belangrijk als brandstofleverancier voor Amsterdam. De belangen uitten zich in het bezetten van diverse plaatsen met een Fries resp. Hollands garnizoen.

Veel burgers tussen Kuinre en Baarlo, toen groter dan Blokzijl, vluchtten naar de bescherming van de schans Blokzijl en ontkwamen zo ook aan het betalen van belasting aan beide partijen. Het werd steeds moeilijker om de belasting van Verdugo te betalen. In 1589 beklaagde Baarlo zich bij de garnizoenscommandant van Steenwijk, Antonio de Cocquel. Die dreigde toen inbeslagname bij andere vluchtelingen, in Vollenhove. Daarop dreigde drost Jan Sloet het Staatse leger naar Baarlo en de Kuinderdijk te sturen. Het garnizoen van Sonoy in Blokzijl bood weinig bescherming tegen Spaanse soldaten die vanuit Steenwijk opereerden, maar kon ze wel lastigvallen als Sloet dat beval.

De dreigende situatie bleef bestaan tot juli 1592, toen Steenwijk na een beleg van 44 dagen werd heroverd door troepen van Maurits en Willem Lodewijk, en Groningen in 1594 Staats werd. Nadat in 1597 Oldenzaal en Groenlo werden veroverd, was heel Noordoost Nederland vrij van Spaanse troepen.

Drost Johan Sloet de jonge

In 1609 werd er een wapenstilstand gesloten: beide partijen hadden geen geld meer om nog oorlog te voeren. De zoon van Jan Sloet de Oude was in 1590 zijn vader opgevolgd, en was als vertegenwoordiger van Overijssel mede-ondertekenaar van het Twaalfjarig Bestand. In die tijd werd duidelijk dat de steden in Overijssel blijvend op achterstand waren komen te staan t.o.v. de Hollandse steden, door verdwijnen van de handel met Duitsland. Vergane glorie dus in Hasselt, Kampen, Zwolle en Deventer.

Het Oldehuis anno 1607 volgens Rademaker (ca. 1725).

 

Vollenhove bleef een rol spelen in het bestuur, de adel richtte zich op een rol in de Ridderschap en op baantjes als afgevaardigde naar de Staten-Generaal en de Admiraliteit. De stad groeide weliswaar niet meer – tot de jaren 1930! – maar herstelde zich economisch doordat de adel zich meer in de stad vestigde en hun huizen daar bouwden en verbouwden. Tussen 1622 en 1654 werden ettelijke huizen als havezaten aangewezen en/of gebouwd.

Diverse adellijke zonen gingen deelnemen aan de oorlog door dienst te nemen bij één van de strijdende partijen. Zo sneuvelden twee zoons van Johan Sloet de Oude bij de belegering van Oostende (1602-1603). Gerard Sloet, de bouwer van de Oldenhof, heeft zijn vader nooit gekend – die sneuvelde voor zijn geboorte bij Wezel. De broers Hagen weigerden in 1622 de eed als riddermatige vanwege de nieuwe verplichte gereformeerde godsdienst en verloren hun rechten, mochten niet meer naar de landdagen en werden ook niet meer afgevaardigd naar de Staten-Generaal. Jurjen ging in dienst bij de Fransen en raakte in 1593 vermist. Hendriks zoon Jurjen Jacob (1596-1662) was eerst luitenant in Staatse dienst, maar kreeg in 1624 een oproep, sauvegarde en ‘verschoning’ van aartshertogin Isabella (zus van Filips II) voor dienst aan de andere kant, vanuit Oldenzaal.

In 1648 kwam er uiteindelijk een einde aan de oorlog door het tekenen van een vredesverdrag in Münster.

 

Bronnen:

  • Uit de geschiedenis van Brederwiede: bezet, bedreigd, betwist, J.Postema; en over de kloosters Clarenberg en Sint Janskamp door P. Datema.
  • Tweeduizend jaar geschiedenis van Overijssel, bijdragen J. Boonstra
  • Kondschapartikelen:  26-3 Diederik Sonoy en Vollenhove, H.D.J. Krikke;  29-2 Aremberg, stadhouder en grootgrondbezitter, H. van Heerde;  30-3 Een kanonskogel uit de Kerkstraat in Vollenhove, B.H. van Rosmalen;  31-1 bij de tijd in Vollenhove, H. van Heerde;  en 33-4 De Beeldenstorm van 1578 te Vollenhove, H. van Heerde.
  • Inventaris archief Oldhagensdorp, A.J. Mensema
  • Havezaten in het Land van Vollenhove; Gevers, Mensema en Mooijweer